Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fol. 57 V.

Driemael geroepen seer vyerich Heeft hy, o Vader coen ')

Vergeeft haer seer goedertierich Hoe wel sy my quellen onmanierich Sy en weten niet wat sy doen.

Och volck, eewich is so lange Vader, eewich is lange tijt Riep hy met herten banghe Och dese Crijch, is seer stranghe Vecht nv vleesch, dits de laetste strijt.

Als de koorde was aen zjjn keele Riep hy voor minst en meest2) O Vader ick v hier beuele Voor de menschen ick dit niet heele In uwe handen mijnen gheest.

Dus dede hy zijn offerhande Al voor de werelt blent Hy vreesde werelt, doot noch schande Noch de heeren van den lande Hy street met ghewelt totten ent.

Dus wilt nv niet meer vechten Ghy Rechters van Amsterdam Tegen des Heeren knechten Is seer quaet om te rechten ')

Want onnoosel is dat Lam.

Wilt v veruolch laten Ghy Rechters ouer al Want v groote mandaten Ende des Conincx placcaten Int ordeel niemant helpen sal.

[»".3.] «)

Van twee vromeChristenen

I

i

*

ti

Q Na de wijse: Adieu reyn bloemken Rosiere.

VErhoort ons droeuich claghen O Heer in desen noot

1) »Coen" kan moeilijk eene eigenschap van God uitdrukken. Dus moet liet iij «roepen" behooren.

2) Voor groot en klein.

3) »Te procedeeren" ; vandaar: »te strijden; want het lam (Christus) is (en nok de ijnen zijn) onschuldig (en staan dus onder des Almachligen bescherming)".

4) Behalve dit lied, bezitten wij over deze twee delftsche martelaars een uitoerig bericht benevens eenige brieven en een breed verslag van de «examinaiën" van de hand van Jan Hendricksen : alles reeds in het Groot Offerboek van

Sluiten