Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te ylingen. slot, 85*.

Tertullianus. 137, 141, 142, 175, 181, 195, 197, 205,206,211, 219, 220, 250, 258, 270,278,282, 287, 295, 313, 328, 329, 357; over 't Avondmaal, 433, 489.

Testament. Nieuwe —, 46, 116» zie Schrift.

Thalmnd. 264.

T h ei 1 e, Karl. 83.

Theodoretns. 211; — over 't Avondmaal, 433 ; — 489.

Theodosius. te Milaan uit den tempel gebannen, 209 ; — 296, 331, 337.

Theodricus. Broeder des gemeenen levens, martelaar, vertegenwoordiger der Nederlandsch-reformatorische richting, 114, 514.

Theophilactus. 154.

Thessalische gewoonte om éénmaal per jaar, op Paschen, te doopen, 197.

Thomas, de apostel, als voorbeeld, 165, 178.

T o b i a s. 73.

Transsubstantiatie. 88; vele geestelijken gelooven niet in de —, 104, 293, 318, 327; — 385, 408, 409, 410, 457, 458, 489.

Trasimundus. koning, 426.

T r e n t e. concilie van —, 97, 458 ; synagoge van —, 354.

Trojaansche krijg. 280.

Troyen, Jasper, van Dordrecht, 118.

Turken. 17, 19, 31, 138,151,175, 202; — 337, 364.

ü.

Ubiquitanten. 473.

Ubiquiteit. 477, 489.

Universiteiten, (hoogescbolen), 187, 214, 219, 342 ; (Academiën), 271.

U r b a n u s Eegius, 224.

Urbanus II. paus, 277, 369.

Urbanus V. paus, 370.

Utrecht. 83; vrienden vanJoann. Anastasius ald., 91.

Uytenbogaert. Joann., 121.

U z u r i e r s. 66.

Y.

V aderliefde Gods, 114,140 v.v., 143. 514, 551.

Vagevuur. 10; pauselijk—,106, 175, 178, 181, 188, 219,237,262, 265, 270, 293, 484.

Val. de heiligsten kunnen vallen, 149, 150, 152 v.v.

V alentinia nen. (Gnostieken), 141; — 259.

Valentinus. (St.), ziekte van—, of St. Velten, 280.

V asten, het evangelische —, 302.

Veluwe. Neder —, 84.

Venator, Joannes. 115.

V e n 1 o. verdrag te — tusschen hertog Willem IV v. Kleef en Gulik en Karei V, 96.

V e n u s. 361.

Verboden graden. 244 v.v.

V erdiensten. van Christus, 162, 182 v.v., 188.

Verdiensten, geen eigen, 161, (ook niet volgens de oude kerkvaders), 183 v.v., 186, 188 v.v., 192; niet door de — der heiligen zalig, 281; God kroont zijn eigen gaven in ons, 184 v.v.; God rekent onze dankwerken voor — en beloont ze, op aarde en in den hemel, stoffelijk en geestelijk, 185; vergel. 514, 527, 537, 538 v.v., 560.

Verdoemenis. 29, 30, 32, 38; wij zijn in —, 41, 151.

Vergeving, (van zonden) door den paus „nooit zeker'' genoemd, 166, 371 ; — hoe vaak na den Doop? 167.

Sluiten