Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daerom was dit ein besloten hoif-//ken ') daer jn niemant mocht D iiij' komen dan die den heyligen geist daerjn wolde laten. Als die brudegom spreickt jnt bouck des kamersancks Cant. 4. Mijn vriendinne js ein besloten hoof ken, ein toegesegelde put, ein onbesneden waut dat niet ghekort2) isz, of hy wolde seggen, tot mijn lief, tot mijn gemeinschap en mach niemant vremts komen, want sy leift jn den geist. Item, Psul. 44. Alle schoonheit des Konijncks dochter isz van binnen. Hierom waren die vremdelijngen ende die van Abraham niet geboren waren na den vleysche so bequaam ende so na daar toe, als de Israelyten, die allein na den vleysch van Israël waren geboren, ende als de inwoinders3) die na den geist wt Abraham ende Israël niet geboren waren, als Joannes de Doper spreickt Matt. 3. En wilt niet seggen, wy sijn Abrahams kinderen: God isz machtich van desen steynen te verwecken Abrahams kinderen. Nu dan als sy dit Paeschlam aten so en worden sy niet verlost wt Egypten, mer want sy dor den geist jn God geloifden, so wast hen ein lustige maeltijt jn der gemeinschap to wesen die 4) God haren God was, ende die God te dancken mit den Israelyten, dat was hen ein wallustige maaltijt, Ende dat dede allein dat al, dat hen de geist beweichde ende seker maeckte, dat sy // jn Gods D iiij v genaden waren ontfangen, ende vroim van hem8) worden geacht dor tgeloive.

Also hier, daer onse gemeinschap js ein lichaem van Ohristo,

dat jn den geloue doir den geist geboren isz, ein nieuwe minsche. Als nu Paulus spreickt: Dat wy, die van ein broot eten, ein lijff sijn: Nu moest eyn minsche eirst ein lidt werden van dit lichaem, eer hy de spyse mit den lichaem mach genieten, ende eer hy nut dat lichaem mach vermaackt werden. Jn dat lichaem Christi werden wy jngelijft doert geloue jn Christum Jesum, soo hebben wy alle dij nek gemein mit hem, als Paulus spreickt tot den Gal. 3. Alle die gedoipt sijn die hebben Christum angetogen. Item. 1. Corint. 4.

Doert Euangelium heb jek v nieu gebaert. lom. 1. Hy heift macht gegeuen kinder Gotz te werden, alle die jn synen naem gelouen, Die dan gelouen die werden gedoipt, daardoer sy van der gememte ontfangen werden, jn de gemeinschap mit Christo, ende haer ge-

1) In het Hooglied, 4:12, heet de bruid een besloten hof enzv.; zij is kuisch en verleent aan geene vreemden toegang tot zich; heerlijk en — hier spreekt de gewone allegorische opvatting, die in bruigom en bruid Christus en zijne gemeente ziet — te gewijd dan dat ongewijden haar mogen naderen.

2) Een nog ongerept, nog niet gekapt, maagdelijk woud.

3) N.l. van het land Kanaan; die dus uitwendig met het aardsche Israël samenwoonden. De bedoeling is: de eerste kategorie was even bekwaam, in dit geval even weinig bekwaam (gerechtigd) daartoe als de beide andere het waren.

4) Datief: „voor wie, welke". 5) Er staat: hen.

Sluiten