Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had hij afgekeurd ')• Het geschrift van Emser was in een onberispelijken, zelfs tegenover Luther hoffelijken toon gesteld. Deze zag er echter eene arglistige poging in om zijne rechtzinnigheid, onder voorwendsel van haar te willen verdedigen, des te meer verdacht te maken. Hij deed het opnieuw in druk verschijnen met een uitvoerig toevoegsel van zijne hand, waarin hij Emser met hoon overlaadde en hem vergeleek met Joab, die Abner verraderlijk doorstak (2 Sam. III: 27), zelfs met Judas Iskanoth *). In 1521 viel Emser op zijne beurt Luther aan met eene verhandeling, waarvan de toon veel scherper was dan die van zijn vroeger geschrift; hij bestempelde Luther's theologie nu met den naam van eene cynische theologie", en verzekerde dat geen pennevrucht van Luther

het licht zag „die niet besmet was met het gif en niet gewapend was

met de tanden van een dollen hond'"). Ras antwoordde Luther hierop met een schotschrift van enkele bladzijden: „Aan den bo te Leipzig" 4) en daarna met eene uitvoerige verhandeling5). In het eerstgenoemde heeft hij Emser beleedigd op eene wijze, die alle perken te buiten gaat»). Als men hierop nu let, wordt de

1) De Disputatione Lipsensi, quantum ad Bohemos obiter deflesa est, epistola Hieronymi Emseri, herdrukt in Af. Lutheri Opera latina rarn ar<junu:nU, cur. H. Schmidt, Francof. ad M„ 1867, Vol. [V, p. 3-12. Zie ald. P- ' « *

2) Ad Aegocerotem Emserianvm M. Lvthert add.tto, in M. Luthers Weimar 1884. Bd. 2. S. 658-679. Zie ald. S. 658 660

3) A Venatione Luteriana Aegocerotis Assertto, herdrukt bij V. E. Loscher, Refonnations-Acta, Leipz. 1729, T. III, S. 694-731 Zie ald. S. 694.

4) An den Bock zu Leyptzck Doctor Martinus Luther, in zyne W erle, We.m.

1897, Bd. 7, S. 262—265. _

5) Au ff das ubirchristlich Buch Bocks Emszers zu Leypczuk Antwortt D. M.

in de genoemde uitgave zijner Werke, Bd. 7, S. 621-688. ^

6) An den Bock zu Leyptzck, in de aangehaalde uitgave, S. 262. „man . doch wol in gantz deinem weszen, das du ein bock bist, dartzu das du n, meh den stossenn kundist, weyszen ubirllussig ausz deyne buch e und r e. Meyn.s u aber nit, das ich deynem leichtfertigen drewen antwortten mocht und sag 'Lieber Esel, leek nit'? Behut got fbr dem bock die geysse, d.e yhr home. in seyden geflochten tragen, mit mir bats, ob got wil, keiu „odt. Hastu me. gehort die Fabeln, da der Esel mit dem Lawen in die wette schrey, und etlich thier ur seinem geschrey flohen, das sich der Law zu yhm wand unnd sp,ach Wen ,ch nit wiste, das du ein esel werist, ich het mich wol selb fur d.r gefurcht ? Du sihest teglich, das ich mich fur denen nit furcht, die mehr kunst und vorstand in einem har haben, dan du an leyp und seel, noch unterstehistu dich, :m.e zutrotzen und schrecken, damit du starek beweyssest, das du d.e vornonfft nut unvornunfft vorwechselt und ausz einem menschen ein bock worden b.st .S.26 .

Sluiten