Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de katholieke kerk, waarin zij hadden „gescholen"; de eerste Doopsgezinden toch waren natuurlijk in hunne jeugd katholiek geweest: maar zij deelden daarom geenszins in de glorie van de apostolische herkomst, die aan die kerk in haar zuivere gestalte toekomt. „Sy waren te vooren in ons, maar niet van de onse.. „Sy syn niet vvt de Apostelen geboren als kinderen, maar vvt die corruptien, die van de Catholicke kerck vvtgespoghen syn, als fenynghe dieren" ').

De bestrijding van de genoemde doopsgezinde pretentie is de grondtoon in geheel de „Successio", zoowel in het eerste deel, dat hoofdstuk 1 tot 11 omvat en over den oorsprong der „Wederdoopers" en de dweepzucht en oproerigheid in hun eerste tijdperk handelt, als van hoofdstuk 12 af, in „het ander deel, dat naecomt en wat sedigher meint te gaen... met onstadigh wederroepen van haer ydele phantasyen" 2). Ook in dit tijdperk toch vertoonden zij geen spoor van samenhang met de Christenheid, van eenigheid, van apostolische successie. Integendeel: al door is onder hen de stichting van geheel nieuwe kerken verder gegaan. Telkens scheurde zich weer eene partij van de andere af, richtte het eene sektehoofd tegenover het andere eene nieuwe gemeente met nieuwe leeringen op; terwijl zij dan voortdurend elkander uitbanden en aan den duivel overgaven. „Sy hebben anders gheen fundament dan den toeval 3) van haer hoerders, off de veranderlicke dryving

van haer goedduncken" 4).

Waar is hier eene successie? Het is niets dan een Babel, eene eindelooze spraakverwarring. Uitvoerig beschrijft Y. P. van bl. 64 tot bl. 124 de scheuringen, die onder de nederlandsche Doopsgezinden van Menno's optreden af tot op zijn tijd, ongeveer 1600, hebben plaats gegrepen. Geen enkele slaat hij over; geen oudste, die door andere oudsten gebannen is, laat hij onvermeld. Hoe heerlijk, zet hij nu en dan daartusschenin uiteen, steekt bij dit tafereel van onafgebroken onderlingen sektenstrijd de katholieke kerk af in haar eenheid, hare heilzame orde, de ondergeschiktheid van

1) Successio, bl. 6, 131, 136.

2) Aid., bl. 139.

3) De toehoorders, die hun bijval schenken; de omstandigheid, dat ermenschen zijn, bij wie zij ingang vinden.

4) Aid., bl. 139, 140.

Sluiten