Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T' dunckt ons goet, de tvvistighe leringhen van t'hooft der Wederdopers Menno, hier int net te stellen, opdat een yghelick van de doops/Zghesinde mach bemercken op wat crancke onstadighe bl. 89.

riet >), dat met alle vvynden vvayt, sy steunen 2). In syn boeck teghen Gellium Fabri, fol. 4. & 53). seyt hy aldus. YYy doen ghelyck ons des Heeren vvort beuolen heeft. Alle die hem inde Mcnno wil^ ghehoorsamheyt des vvorts begheuen, en daernae wederom erche- ^ son(jer lick teghen t' woort leren, of leuen, soe sy hem door broederlicke terstont sal onderwysinghe en vermaninghe niet segghen off leren laten, die bannen, selfde moghen ons broeders off susters niet syn. Soe doch daer 1.

gheen betering meer te verhopen is, moet men se ten laesten die ghemeynschap der godvruchtighen, handt, mondt ende derghelycken wandel4), hoewel met troerichheyt en vele tranen affsegghen. Ten anderen secht Menno5), dit is de rechte aert ende voornemen 2.

eens Christelicken broeders, wie dat hem van het quade affwendet,

hetsy van syn valsche lere, off van syn ydele leuen: ende schickt hem nae den Euangelye Iesu Christi, daer hy toe ghedoopt is, dien en sal noch en mach inder ewichheyt van enighe broeder wtghestoten vvorden. Ten derden in t' selfde boeck") seyt aldus: YYant soe wyst ons 3.

schrifts beueel ende ordening, namentlick, dat men die dronckaerts eerst // vermanen sal, en indien sy hen dan niet en bekeren, met bl. 90. derghelycker bewilliginghe vander Ghemeenschap der kerken afdoen sal. Math. 18. l.Cor. 5. En ten laesten besluyt hy. Hier is myn innerlickste gheloue, en vterlixste bekentenisse, van die afsonde-

1) Hoe lang Menno ten opzichte van den ban heeft geweifeld en hoe hij daaromtrent in den loop van zijne werkzaamheid is veranderd, heeft Nicolai, a. w:, fol. 116 c vgg. nog veel uitvoeriger dan de Successio uit zijne geschriften van velschillende jaren aangetoond en is ook door Scheffer, Doopsg. Bijdr. 1894, bl.10 vgg. beschreven en verklaard. Natuurlijk luidt SchefTer's oordeel minder hard dan dat, 'twelk de roomsche schrijver op zijn standpunt wel vellen moest. Over het al te ongunstige oordeel van de Successio zie Scheffer in dat artikel; o. a bl. 20,aanteek. 1.

2) Volgens den 2^" druk. In den eersten „stonen".

3) Dit moet wezen: „lit. P. 4 ende 5"; zoo toch duidt Nicolai, fol. 117 b en 205 c, deze plaats aan. Hij zoowel als V. P. in den tekst hebben uit eene oudste mtgaaf van „het boeck teghen Gellium Fabri" geput, die verloren is gegaan. Nicolai, wiens werk in 1569 is verschenen, kan geene andere uitgaaf tot zijn dienst hebben gehad. De eerste nog bewaarde druk van genoemd geschrift komt voor in het Sommarie ofte Bijeenuergaderinge van sommige... Bekentenissen des Gheloofs, Mitsgaders eenighe ... Verantwoordingen op sommige Schriften van Gellio Fabro ... door Menno Sijmons... te coop by Jan Janszoon ... tot Hoorn. Anno 1600. — De woorden, in den tekst aangehaald, staan in de Opera omnia Menno Sgmons, 1681,

op fol. 292 a. 4) Omgang. , T, ■ i

5) Niet in het geschrift tegen Gellius Faber, maar in de Lieffelijcke Vermaninghe of Onderwijsinge [1582], quat. A vj Zie over dit boekje bl. 79 van de Successio: hierboven bl. 52.

6) Dit is volgens Nicolai, a. w., fol. 118 c, weer ontleend aan „het boeck tegen Gel. lit. S. ij".

Sluiten