Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Exo. 22.11. Hebr. 6.16.

[Fol. 228 b.]

Matt. 5. 33.

[Fol. 228 c.]

alles gheschils ende twists. Exo. 22. Hebr. 6. Paulus seyt daer dat in het nieuwe Testament in het generale, de menschen sweren by eenen die grooter is dan sy zijn, ende dat den Eedt het eynde is alder tegensprekinge etc. hy en seyt niet Israël, maer de menschen sweren. etc.

Ten derden moetmen aenmercken, dat Christus Jesus zijnen Christenen nu in het nieuwe Testament met den Eedt niet op de Wet, als op dat onuolcomene, dewelcke toeliet recht te sweren: maer vande Wet (so leert dan Christus de Sone teghen zijnen Vader) tot Ja ende neen // wijst, als tot dat volcomene, seggende aldus: Ghy hebt gehoort, dat tot den Ouden (dat is tot den Vaderen inde Wet) gheseyt is, (namelick door Moysen) ghy en sult gheenen valschen Eedt doen, maer ghy sult Gode dijnen Eedt houden, (dat is, ghy sult recht sweeren, ende dijnen Eedt houden) Maer ick segghe v, mijne Jongeren, dat ghy, die mijne Christenen zijt, gantschelicken niet sweeren en suldt, dat is, noch recht noch onrecht, noch by den Hemel, noch byder Aerden etc. Maer uwe reden sy Ja ende Neen, wat daerbouen is, dat is, wat bouen dit Ja ende Neen is, dat is van den quaeden. Daer hebt ghy Christi eygen leere vanden Eedt der Christenen. De Eedt der Christenen is Ja ende Neen. Siet lieue Leser (seyt hy) voor dese woorden Christi moeten *) alle menschelicke rechten (van menscen valsch gedacht, ende niet van God beuolen) ende politien vanden Eedt wijeken ende tondergaen, gelijck daer zijn Juramentum Calumnie, Juramentum de Veritate dicenda, ende hoemense noemen can, sy geschien, hoe sy gheschien, hetsy met woorden, oft met den vingeren op te steken, oft voor den borst te houden, etc. Dit zijn Menno Simons woorden.

Hierwt sietmen claerlic, gelijck hier voren geseyt is, dat hy met den ouden Ketter Martion opentlick leert, dat Christus teghen de wille ende tgebodt zijns Vaders vanden Eedt nu leert, hetwelcke hy wt de woorden Christi Mat. 5. die hy verdraeyt, bewjjsen wil, ende dat also Christus de wet zijns Vaders ontbonden heeft. Maer hoe valsch dat dit sy, can wt zijn eygen woorden hier voren in 2) Psal. 15. verhaelt, bewesen worden. Hierbeneuen souden de Doopers ooc bedencken, tgene dat Paulus int Nieuwe Testament seydt, dat den Meyneedigen de Wet gegeuen is, ende niet den rechtsweerenden. etc. II

Daer na trect hy Joannem Hus tot zijnder zijde, dat hy den

1) Bij Nicolai staat in beide drukken foutief: „moetmen". Maar het geschrift van Menno, dat door hem hier wordt aangehaald (Fol 227 c, aant. 1) heeft, Sointnarie, II, bl. 393, „moeten".

2) N.l.: „op", „in de behandeling van".

Eedisweren naede Wet in dat nieuwe Testament is oock recht teghen het gloseren van Menno.

Sluiten