Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dunct dat wy den meesten hoop dan mede hebben '), so dat wy dan te min op God betrouwen, om dat onse hope ende betrouwen hem 2) in tween deylt, ende daer wy alleen onse hope op God souden setten, daer setten wijse op de menschen, ia dicwils meer dan op God selue, also dat wijt selue ooc niet en weten noch en G *'V ' bekennen, om dat het vleesch so loos 3) is, dat // het ons ende hem 4) seluen dicwils mede bedriecht, willende altijt zijn gheueynstheyt ende onghelooue verschoonen met so frayen verwe, datse de ooghe niet onderkennen en can: ende dit is de sake 4) dat wy dus seere benaut zijn: want als wy meynen dat wy aldersterckste zijn, dan 1. Reg. 17. f zjjn wy alder onsterckste, ende de wapenen daer wy ons op betrouwen die beletten 5) ons ghelijckse Dauid deden, ende sy sullen ons oock beletten, ten sy dat wijse verre van ons worpen 6), ende met de steenen wt de beke, ende de slingher der cracht Gods wy onsen viant verwachten 7), ende hem daer mede te velde comen. De Apostelen en hadden Keyser noch Coninck, Prince noch Heere, die haer behulpich ofte gunstich was, maer sy haddent al teghen, nochtans so beefdet al voor haer: ende in corter tijt so heeft dit heefMat. 13 deech H) van Christus Euangelie den deesem so doen opgaen, dat duyuel noch werelt weder staen en costen, ende dit seneuel9) oft mostaert saet is so op ghegroeyt, dat zijn tacken schier de gansche werelt ouer reycken. Ende nv ter tijt zijn wy so grooten menichte ^ v r te samen, maer wy en voorderen // niet, ende gaen meer achterwaert, want wy nv vercoelen, also dat wy niet alleen lau maer heel cout ende beurosen zjjn, om dat wy ons so seer 10) deene op dander verlaten, wy setten ons betrouwen op de menschen, die niet dan een schaduwe ende roock en zijn, die voor onsen oogen verEsay. 36 dwijnt, wy stuenen al opt riet, dwelck lichtelijck breect, want het so s waren pack niet draken n) en can, ende ten doet ons niet alleen vallen maer wy quetsender ons ooc mede van de splinters die ons in die hant bliuen steken, dwelc ons nimmermeer gheschieden en soude, waert dat wy op den vasten steen Christum stuenden, den welcken noch wint, noch slachreeghen, noch onweder beweghen Psalm. 125 en can: so dat wy metten Propheet mochten12) segghen: Die opten Heere betrout, en sal niet beweecht worden, maer stantachtich blyuen, als den berch Sion. De Heere is mijn licht ende behulp, voor wien soude ic schroemen ? De Heere is mijn steenroetse,

1) De meerderheid op onze zijde hebben. 2) Zich.

3) Bedrieglijk, trouweloos. 4) Oorzaak. 5) Belemmeren.

6) Werpen. 7) Afwachten. 8) Zuurdeeg.

9) Mosterdzaad. Vergel. het Latynsche „sinapis", het Fransche „sénevé".

10) Verbeterd uit „seeer". Vergel. boven, quat F, bl. iiy »: leeere.

11) Lees: dragen. 12) Konden.

i

Sluiten