is toegevoegd aan uw favorieten.

Lief en leed in dienst der christelijke barmhartigheid, 1882-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbekwaam een plaats inneemt, erkent het dankbaar: wat ik ben, heb ik aan Meer en Bosch te danken.

Sinds 1894 hebben de broeders een reciteervereeniging, die hen iederen Zondagavond samenbrengt om zich te oefenen in opstellen en voordrachten. Zoo werken zij gemeenschappelijk ook aan elkanders vorming mee.

29 Mei 1895 deed een der broeders met goed gevolg het examen als godsdienstonderwijzer. Dat was wat nieuws. Ook zag men weldra in, dat meerdere broeders een goede plaats konden innemen en dubbel bruikbaar zouden zijn, wanneer zij godsdienstonderwijzers waren. Enkelen begeerden ook daartoe opgeleid te worden. Het werd hun mogelijk gemaakt, en sedert zag men het aantal geëxamineerde godsdienstonderwijzers onder de broeders al stijgen tot 20.

Onderscheidene broeders deden meer dan één examen b.v. als ziekenverpleger en godsdienstonderwijzer; enkelen zelfs zijn gediplomeerd als ziekenverpleger, als krankzinnigenverpleger en als godsdienstonderwijzer.

Omdat echter de examens als ziekenverpleger voor de broeders steeds meer bezwaren opleverden, besloot het Bestuur in Mei 1903 een eigen éxamencommissie te benoemen, bestaande uit verschillende geneesheeren, om na goedgeslaagd examen aan de broeders een eigen «diploma - Meer en Bosch« te kunnen uitreiken.

Natuurlijk konden wij hier niet alles noemen wat er tot vorming en opleiding der broeders werd gedaan. Alles laat zich ook niet opnoemen. Maar als wij nu nog meetellen het samenleven der broeders onderling, dat ontegenzeggelijk zeer krachtig meewerkt tot hunne ontwikkeling en beschaving, en de vrijwillige oefeningen in muziek, zang en gymnastiek, dan hebben wij toch het voornaamste vermeld, en dan zal ieder moeten toestemmen dat, zoo al het ideaal niet is bereikt, men toch langzamerhand tot een geregelde opleiding van broeders kwam, en dat met aanvankelijk gunstige gevolgen. Hierbij moet ook niet worden over het hoofd gezien, dat het verschil in ontwikkeling en aanleg op een leeftijd van + 20 jaren,