is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het er niet toe of misschien de overleden persoon overgevoelig voor het aangewende vergif was en behoeft de vraag niet nader onder de oogen gezien te worden, daar, zoodra het opzet om te dooden bewezen is, aan beide elementen van het misdrijf vergiftiging voldaan is.

Mocht dit niet het geval zijn en, zooals zoo vaak voorkomt, de in het lichaam van den overledene als zoodanig gevonden hoeveelheid, of de — op grond van den uitslag der kwantitatieve analyse van een gedeelte van den maaginhoud, van een gedeelte van de lever, enz., — berekende in het lijk aanwezige hoeveelheid der giftige zelfstandigheid kleiner zijn dan de lethale dosis, dan is de vraag of idiosynkrasie bestond, onoplosbaar. De ingegeven hoeveelheid laat zich toch niet met eenige zekerheid bepalen: men weet alleen, dat altijd meer vergif werd ingegeven dan er in het lijk gevonden wordt. Men kan immers nooit bepalen hoeveel weder buiten het lichaam geraakt is (met het braaksel, de ontlasting, de urine, het zweet), hoeveel in het overige lichaam nog aanwezig was (b.v. in de spieren, welke te samen ruim 40 °/0 van het lichaamsgewicht bedragen; kwantitatieve analyse van het gelieelt lijk is nu eenmaal een practische onmogelijkheid!) en hoeveel in het lichaam door omzetting onkenbaar is geworden (bl. 145).

In dezen zin heeft men den rechter te antwoorden. Men heeft hem uit te leggen, waarom in gevallen van doodelijke intoxikatie, vrijwel altijd minder vergif gevonden moet worden dan werd toegediend en dat het zelfs kan voorkomen, dat men er geen spoor meer van terug kan vinden. Verder wijst men er op, dat idiosynkrasie een factor is, welke zeer zeker bestaat, doch waarmede men in foro geen rekening kan houden, omdat zij alleen te herkennen is door het — in de overgroote meerderheid der gevallen niet aantoonbare — feit zelf, dat een hoeveelheid, kleiner dan de dosis lethalis. den persoon doodde; immers de ingegeven hoeveelheid is gewoonlijk onbekend.

De rechtspraak zou, wanneer men in alle gevallen, dat de in het lijk gevonden (berekende) hoeveelheid vergif kleiner is dan de dosis lethalis met de mogelijkheid van idiosynkrasie rekening wilde houden, in die gevallen van vergiftiging vrijwel een fictie worden, daar men nooit kan aantoonen, dat er in het concrete geval geen idiosynkrasie in het spel was. Kwantitatieve analyse zou dan bovendien altijd moeten geschieden, zelfs wanneer de obductie zonder meer het recht geeft te besluiten, dat de dood het gevolg is geweest van de inwerking van een der vergiften, behoorende tot groep C van bl. 125 en voor den obducent geen nader onderzoek noodig is om tot zijn diagnose te komen.

Wanneer men de mogelijkheid van een bestaan hebbende idiosynkrasie in overweging zou willen nemen, dan zou men derhalve in alle gevallen van vermoedelijke vergiftiging een kwantitatieve analyse van het gelieele lijk moeten laten doen en. niettegenstaande deze, toch steeds in het onzekere blijven omtrent de toegediende (ingenomen) hoeveelheid vergif, welke echter bekend moet zijn om c. q. idiosynkrasie te mogen aannemen.