is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. LEEFDE DE VRUCHT OP HET OOGENBLIK, DAT HET AFDRIJVINGSMIDDEL WERD TOEGEPAST?

Dit is de \iaag. waarop in de practijk vervolging en veroordeeling wegens afdrijving gewoonlijk ten slotte toch nog afstuiten, wanneer bij uitzondering de beide voorgaande vragen in bevestigenden zin konden worden beantwoord, omdat zoo goed als nimmer het bewijs is te leveren dat de vrucht leefde op het oogenblik der afdrijving, zelfs niet, waar zij' in beslag werd genomen. In het laatste geval wordt het oordeel van den deskundige zeker ingeroepen en deze op de vraag gehoord.

Dat zoo goed als nooit het bewijs door den deskundige is te leveren dat de vrucht leefde op het tijdstip, dat het afdrijvingsmiddel werd toegepast, heeft verschillende oorzaken; hoofdzaak is echter, dat afdrijving pleegt te geschieden op een tijdstip, dat zelfs in het allergunstigste geval, n.1. dat de vrouw van te voren werd onderzocht, niet kan worden herkend of de vrucht leefde of niet.

De overgroote meerderheid der vrouwen wordt echter nooit tijdens de zwangerschap door een geneesheer onderzocht en zeker niet zij. die zich de \ ïueht afdrijven of doen afdrijven. Een dergelijk onderzoek zou boven< ïen alleen van nut kunnen zijn voor de beantwoording der gestelde vraag, zoo het onmiddellijk vóór of na de toepassing van het middel had plaats gevonden en geschiedde op een tijdstip, dat de harttonen van de vrucht te hooren, haar bewegingen te voelen zijn. Dit is echter eerst mogelijk na iet begin van de o-e maand, derhalve op een tijdstip, waarop afdrijving slechts bij hooge uitzondering geschiedt. Al ware de vrouw derhalve bij toeval vóór of na de afdrijving onderzocht, zoo zal bij het onderzoek niet licht zijn uitgemaakt, dat de vrucht leefde.

Ook van een onderzoek van de afgedreven vrucht is zelden of nooit heil te verwachten, omdat de ademproef (dl. II. bl. 4) op zulk een vroeg tijdstip van de zwangerschap, als waarin deze in den regel wordt verstoord, geen resultaat zal hebben (dl. II. bl. 12 en 15) en dan ook gerust achterwege kan worden gelaten en de kans op het vinden van laesies bij de vrucht, met teekenen van intravitaal te zijn ontstaan, zoo goed als uitgesloten is (bl. 103).

I)e deskundige kan dan ook in de practijk vrijwel nooit aan het O.M. de gegevens verschaffen, waaruit het wettig bewijs is te trekken, dat de \lucht leefde op het tijdstip der afdrijving f1).

) W anneer liet wettig bewjjs, dat de vrucht leefde op het tijdstip der afdrijving, met kan worden geleverd, mag uit het ervaringsfeit, dat een gezonde vrouw, wier zwangerschap normaal verloopt, een levende vrucht in haar schoot draagt, niet worden atgeleid. dat in een gegeven geval de vrucht ook wel zal hebben geleefd. Het rechtsvermoeden mag met als rechtsfcwys worden opgevat, als zijnde in het nadeel van de verdachte persoon.

Maar wel moet waarde worden toegekend aan het spontane verhaal der vrouw waaruit blijkt, dat de vrucht waarschijnlijk dood was op het tijdstip der afdrijving.'