is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hem 't bezien niet weerd was : een korste uitgedroogd brood, een beetwortel en een leêren lap.

Sam wachtte eerst geduldig tot men komen zou, en men kwam niet. Hij begon in zijn donkerzwart verblijf, op zijnzelven rond te draaien, en 't docht hem dat het brood en water, eertijds zoo dikwijls door hem versmaad, hem nu al zou gesmaakt hebben; maar hij kreeg het niet.

't Werd honger te luiden in zijne maag, hard gebiedende honger, feller en feller werd zijne begeerte naar eten, en kwellend groeide de ijlte in zijnen buik. Honger ! menschen, honger! en niemand die kwam.

Uit zijnen hoek waar hij te pruilen en te moppen lag, was hij al opgestaan en tot de broodkorste getorden, ze was toch te onhebbelijk hard. Maar bij 't ongenadig dwingen en de martelende foltering in zijn dermen, had hij ze ten slotte toch smakelijk gevonden, hij had ze overlikt eerst en dan binnengeslegen.

Te ondierlijk voor een hond als hij, was de beetwortel ; maar 't moest, er was geen weerstaan mogelijk, en ze was op haren tijd de korste gevolgd.

Na verloop van dagen, schrikkelijke helledagen, had hij nijdig zijn tanden in het leer geslegen, en een stuk had hij eraf gereten; met den hongerdood in zijn ingewand zat hij erop te bijten dat zijn tanden schreeuwden, toen men hem eindelijk verlossen kwam.

Uitgemergeld, zwak en met nog enkel het vel over zijn ribben was hij weêr naar 't kasteel gereisd, afgemagerd, maar weêr gezond. Mevrouw had tranen van meêlijen en van blijdschap over hem geweend, maar, daar was een afgrond van wee en gruwel die Sam haar