is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit melden kon, en waarvan hij den akeligen bodem had beschouwd.

*

* *

Ze kwamen eindelijk waar ze iederen avond landden, op 't uiterste einde van hunne alledaagsche wandeling, ten uitkante van een sperrewoud, aan den ommedraai van een dreve, in zoo iets lijk een halfronden natuurtempel. De pijlers ervan waren stokoude, kortgestuikte sperrebonken, noesch en scheef gewrongen, geknoest en uitgeleefd, met hunne lange magere, onbesnoeide takken hangend naar den boschgrond; met hier end daar op hun uiterste toppen een overschot van groenende assels, daar alléén nog 't leven aan te bespeuren was.

Alles was hier rustig en stil als in een ruime grafstede, alleen hoorde men af en toe het zuchten van den avondwind die uit de verte kwam, voorzichtig en traag zaam de naakte sperrearmen op en neêr doen wiegen, en 't krassen van waterwild in den naasten vijver.

Een dikke lage afgevallen roste sperrenaalden maakte op den vloer een zachte legwerk dat alle gerucht van voeten versmachtte, en breede koeken geluwgroene mos spreidden bij vlaken tot platte kussens hun dons uit.

Wat binnenwaart die bochelige roodachtig-grijze pijnstammen, stonden, in halve ronde, een dertigtal granietblokken, verschillend van vorm, naar links oi naar rechts gezonken, noesch en dweersch, elk aan zijn kant naar den grond hellend; sommige lagen platgevallen, ondermijnd door 't woekerende konijnevolk. Meest alle stonden die steenblokken overgroeid met een vacht van blauwendig groene mos, omvlochten met purperziende