is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag. Moeder en zag het niet, of en wilde ze 't niet zien dat er een kleen andeke lag voorenaan den wal aan den

kant in 't water, met uitgestrekter pootjes, derf en kleurloos, en met zijn kopken hangend naar den diepen ; of en wilde ze 't niet zien dat er verder nog een lag, zoo verminkt en afgevreten, dat er de flarden aan hingen, en dat men nog met moeite

zeggen kon wat dat ooit geweest was, zoo ellendig zwom het daar op 't water, met al de bedroevende ijselijkheid erom van een verdronken schepsel.

Ze vaarde zij daar voorbij, moeder met haar kinderen, alle dagen eentje min, nu nog vijve of zesse van de veertien bloeiende lievelingskes, en ze kriepkreunde voort haren moederschreeuw om te melden waar ze lag. Nu en dan schrikte ze wel eens op, ze riep en de kleintjes stoven bij haar. Dat was omdat ze telkens bij navonde, als 't al stille was, eene katte zag komen gewandeld, zacht en schijnbaar onschadelijk gewandeld, langs den waterboord. En 's morgens was ze telkens een kindeke kwijt.

Maar ze waakte altijd onverschillig, met evenveel zorge voor vijve en viere en drie, als voor veertiene. Ook al had ze meer of ne keer verschoten en met heur kleintjes van kante gesteken omdat ze iets had zien over 't water varen, met ruig rost haar begroeid, en twee gierige wreede oogen die glarieden en een roerende straalke witte haarkes al weerkanten, die zochten in de lucht.

En zoo was er een dag gekomen dat er maar eentje