is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1774

hof, dat om strijd komt toesnellen om de nieuwe souvereinen te begroeten. Heil Iwe Majesteiten! De dauphin en de dauphine zijn koning en koningin! Door menigvuldige aandoeningen overstelpt, vallen zij beiden op de knieën en roepen onder een stroom van tranen uit: „O God, leid en bescherm ons, wij zijn te jong om te regeeren!" — Ja, wel te jong!

En zoo heeft dan het uurwerk des tijds met een gedruisch als dat van den donder geslagen en eene oude periode is voorbijgegaan. De Lodewijk, die was ligt daar, verlaten en verafschuwd als eene massa rottende stof, overgelaten aan de zorg van eenige arme lieden en aan de priesters van do cliapelle ardente die hem snel in twee looden kisten leggen, waarin zij overvloedig wijngeest gieten. De nieuwe Lodewijk en zijn hof rijden denzelfden middag door naar Choisi/ • nog vloeien de koninklijke tranen, maar een verkeerd uitgesproken woord van monseigneur dArtois doet allen lachen, en zij weenen niet meer. Lichtzinnige stervelingen, gij die uw dollen levens-menuet over onpeilbare afgronden heendanst, welke slechts door een dunne schors van u gescheiden zijn!

Overigens begrepen zij, die met de begrafenis belast waren, dat deze niet te zeer van alle plechtigheid ontbloot kon zijn. Besenval zelf vindt haar niet overplechtig. Twee rijtuigen, bevattende twee edellieden ten geleide en een geestelijke van Versatlles, een paar dozijn rijdende pages en ongeveer vijftig stalknechts begeven zich op den tweeden avond met toortsen, doch zonder in het zwart gekleed te zijn, met hun looden kist van Versailles op weg. Voort gaat het in vollen draf en zij vertragen niet van tred. Want de spotternijen (brocanls) der 1'arijzenaars, die langs den gehcelen weg naar St. Denis in twee rijen geschaard staan en de aan hunne natie eigene boert den teugel vieren, geven geene aanleiding om langzamer te gaan. Te middernacht ontvangen de gewelven van St. Denis het hunne door geen oog beweend, behalve door dat der arme Loqüe, de verwaarloosde dochter, wier klooster in de nabijheid is.

Zoo ongeduldig en onplechtstatig laten zij hem onder den grond zinken, hem en zijne eeuw vol zonde, dwingelandij en schande: want ziet, er is een nieuwe tijd gekomen, de toekomst is te schitterender, naarmate het verledene ellendig was.