is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bron, die opzwellen en uitdijen zal tot wateren der bitterheid, waarin zich van alle zijden zijbeken ontlasten zullen, totdat het een machtigen stroom der bitterheid, woede en verdeeldheid vormt, die slechts in de catacomben kan eindigen. De oprichting dezer departementale garde, door overgroote meerderheid van stemmen verordend, en daarna om des vredes wil en om Parijs niet te beleedigen, herroepen, (1) wordt meer dan eenmaal weer bevolen, ja, zij wordt ook gedeeltelijk ten uitvoer gelegd, men ziet zelfs de mannen die daartoe behooren moeten, door de straten van Parijs trekken, terwijl zij eenmaal in dronkenschap uitroepen: bas Marat, weg met Marat!" (2) Niettemin wordt zij, hoe vaak ook besloten, even dikwerf weer herroepen, en blijft omtrent zeven maanden slechts eene verwoede, luidruchtige hypothese; een schoonschijnende mogelijkheid, worstelende om eene werkelijkheid te worden, maar die er nooit eene wordt, totdat zij eindelijk, na eindelooze worsteling, in de eerstvolgende maand Februari, met een nasleep van vele zaken, in een droevige rust zinkt. Zoo zonderling zijn de wegen der menschen en van eerwaarde senaatsleden.

Maar gelijk gezegd is, de Conventie is niet ouder dan vier dagen, wij schrijven eerst den 25st " September 1792, en reeds komt het verslag van het comité omtrent het bewuste decreet van de departementale garde en het voorstel om het te herroepen; reeds komen er klachten over regeeringloosheid, over een dictatorschap hetgeen de onomkoopbare Robespierre wel behartigen mag; komen er aanklachten tegen zeker Journal de la République, eens Ami du pcuple geheeten, en zoo komt ten laatste, zichtbaar op de tribune stijgende, zichtbaar daar staande en gereed om te spreken, het lichamelijke spook van Marat, den volksvriend! Schreeuwt, gij zevenhonderd en negenenveertig, het is waarlijk Marat, hij en niemand anders. Marat is geen hersenschim of geen gedrukte fictie, maar een werkelijk wezen, uit vleesch on bloed bestaande, klein van gestalte; daar ziet gij hem in zijne zwartheid, in zijn vuile morsigheid, een levend brokstuk van den chaos en den ouden nacht, begeerig om te spreken. -.Het schijnt," zegt Marat tot de schreeuwende vergadering, -dat er zeer velen hier mijne vijanden zijn." — «Allen, allen," schreeuwen honderden stemmen, genoeg om iederen anderen volksvriend het zwijgen op te leggen. Maar Marat wil niet zwijgen: hij spreekt en krijscht te zijner rechtvaardiging, krijscht zoo verstandig, met zulk een schijn van oprechtheid, dat berouwhebbend medelijden den toorn onderdrukt, het geschreeuw bedaren, of zelfs in toejuiching veranderen doet. Want deze Conventie is ongelukkig de gedweeste van alle machines; het eene oogenblik wijst zij met alle geweld naar het Oosten, en daarop rake men slechts voorzichtig eene veer aan, en de geheele machine draait, zevenhonderdvoudig kleppende en knarsende, met een ontzaglijk geraas, en wijst het volgende oogenblik naar het Mesten! Zoo wordt Marat, zoo even vrijgesproken en toegejuicht, zegepralend op zijne beurt, in den loop der debatten nogmaals door eenig behendigen Girondijn aangevallen, en daarop verheft zich het geschreeuw op nieuw; een besluit om hem in staat van beschuldiging te stellen, staat op het punt van door te gaan, toen de smerige volksvriend nog eenmaal opspringt, zich met zijn krijschende stem gehoor verschaft, en het besluit gaat niet door. En daarop trekt hij — een pistool, en het voor zijn hoofd, den zetel van zulke gedachten en voorspellingen, zettende, zegt hij: «Wanneer het beschuldigingsbesluit doorgegaan ware, zou ik mij door de hersenen geschoten hebben." Een volksvriend is wel daartoe in staat. Wat voor t overige die tweehonderd en zestigduizend aristocratenhoofden betreft, Marat zegt onbewimpeld: »C'est la mon avis, dat is zoo mijne meening." Ook dat valt niet tegen te spreken; »>Geene macht op aarde kan mij beletten, verraders te doorzien

(1) Zie hierover Mignet: Ilistoire de Ja vevolution francais/.

(2) Histoire parlementaire, XX, 1S4.