is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderteekent. (1) Met zulk een zalvende zachtmoedigheid biedt de onomkoopbare zijn zeegroene wang aan om een slag te ontvangen, met zulk een jezuïetische behendigheid verheft hij zijn schrale stem en vraagt ten laatste niet zonder vrucht: "Maar wien heeft de burger Barbaroux tot medegetuige ?" — *Moi!" roept de driftige Rebecqui opstaande en zich met beide handen op de borst slaande, «Mij!"(2) Maaide Zeegroene vat nog eenmaal het woord op en kwijt zich wél. De lange opschudding, niets dan «persoonlijke beleedigingen, terwijl de openbare belangen verwaarloosd worden, eindigt met eene orde van den dag. Vrienden der Gironde, waarom wilt gij onze verhevene zitting tot uw kleingeestige personaliteiten misbruiken, terwijl de groote nationale zaak in zulk een toestand verkeert ? De Gironde heeft lieden de bedorven zwarte plek van haar bestaan in de Conventie aangeroerd, heeft op haar getrapt, maar haar niet neer getrapt. Ongelukkig is deze zwarte plek een diepe wel, gelijk we zeiden, en laat zich niet neertrappen ! (3)

TWEEDE HOOFDSTUK.

De uitvoerende macht

Zou men dan niet mogen verwachten, dat zich rondom deze groote onderneming om de constitutie te maken, evenals vroeger, zeer merkwaardige verwikkelingen zullen opdoen en vragen en belangen zich onderling warren, zoodat de Conventie na weinige, of zelfs na verscheidene maanden, niet alles geregeld zal hebben? Ongelukkig

(1) Barbaroux beweerde, dat hij den 10'1™ Augustus bij Robespierre ontboden was en men hem daar geraden had, zich te verbinden met die burgers, die de meeste populariteit bezaten en dat Panis Robespierre den deugdzamen man genoemd had, die dictator van Frankrijk moest worden.

(2) Moniteur, n" 271, 280, 294, année I^re. Séance du 25 Septembre.

(3) Over Maximilien Robespierre, die in de Conventie meer op den voorgrond treedt dan hij vroeger gedaan had en dien de Gironde zoo gaarne ten val had gebracht, wil ik hier eene karakterschets laten volgen, ontleend aan het meergenoemde werk van Mignet: «Robespierre, die in onze revolutie zulk een vreeselijke rol heeft gespeeld, begon thans meer bekend te worden. Tot nu toe waren, in weerwil van al zijne pogingen, in zijne eigen partij hem steeds anderen de baas geweest; in de Constituante de beroemde leiders dezer vergadering, in de Wetgevende Vergadering Brissot en Pétion, op 10 Augustus Danton. In deze verschillende tijdperken verklaarde hij zich tegen hen, wier naam of populariteit hem in de schaduw stelde. Onder de vele beroemde mannen der eerste vergadering kon hij zich alleen door zijne zonderlinge theorieën naam maken, hij toonde zich een overdreven hervormer; gedurende de tweede vergadering werd hy constitutioneel, omdat zijne tegenstanders vooruitstrevende waren en sprak hij bij de Jacobijnen over den vrede, omdat zijne vijanden den oorlog wenschten. Sedert den ÏO"1™ Augustus dacht hij er in deze club over na de Girondijnen in het verderf te storten en Danton ten val te brengen, terwijl hij steeds de zaak zijner ijdelheid niet die der menigte verbond. Deze man van gewoon talent en ijdel karakter had aan zijné middelmatigheid te danken, dat hij het laatst optrad, wat immer een groot voordeel is in revolutiën, en aan zijne groote eigenliefde moest het toegeschreven worden, dat hij naar den eersten rang streefde, alles aanwendde om daartoe te geraken, en alles waagde om zich daarin staande te houden. Robespierre had eicen- 'nappen, geschikt voor het dictatorschap; een wel niet verheven, maar ook niet gewone ziel, het voordeel slechts één hartstocht te dienen, het uiterlijk van het patriottisme, een welverdienden naam van onomkoopbaarheid, een strengen levenswandel en geen afschuw van bloed. Hij dient als een bewijs, dat men bij burgerlijke onlusten niet door zijn geest, maar door zijn gedrag zijn politiek geluk grondvest en dat de middelmatigheid, die haar doel standvastig najaagt, meer niacht o-eeft dan het genie, dat nu en dan stilstaat. Ook moet gezegd worden, dat Robespierre eene groote en fanatieke secte tot steun had, voor wie hij sedert de Constituante de heerschappij verlangde en wier grondstellingen hij verdedigd had. Haar symbool in de politiek was de absolute souvereiniteit van het

' ''intrat sociol van Rousseau en in het geloof het deïsme uit de «Geloofsbelijdenis van den Savoyaardschen vieaire;" later gelukte het haar, dit symbool voor een oogenblik in de constitutie van 1793 en in Je vereering van het Hoogste Wezen (Etre suprème) te verwezenlijken.