is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inale met «Je woorden: «Burgers, gisteren nacht sidderde ik voor de republiek bij de Jacobijnen. Ik zeide bij mij zeiven, indien de Conventie het niet waagt den tyran neer te vellen, dan waag ik het zelf, en nu wil ik het doen, indien het zoo zijn moet.' Zoo sprak hij en trok een blankgeslepen dolk en zwaaide dien; het staal van Brutus, gelijk wij het noemen. Daarop volgt een algemeen gebrul en gezwaai onder den onstuimigen kreet van: «Tyrannie! dictator! driemanschap!" En leden van het Salut leveren beschuldigingen in, en allen doen zulks, en tieren en roepen onstuimig. En St. Just staat daar bewegingloos, bleek van schrik; Couthon jammert "Drieman" met een blik op zijne verlamde beenen. Robespierre poogt te spreken, maar de bel van den president Tiiuriot belet het hem; intusschen raast de zaal tegen hem gelijk een Eolushol; en Robkspierre beklimt de tribune en klimt weer af, van woede, schrik en wanhoop schier stikkende, en de muiterij is de orde van den dag.(1)

O president Tiiuriot, gij die kiezer Tiiuriot waart en van de tinnen der Basti/Ie (2) St. Antoine zaagt toestroomen gelijk de golfslag des oceaans, en sedert veel gezien hebt, zaagt gij ooit iets dergelijks? Bij het dolle geraas hoort men nauwelijks het schellen uwer bel, waarmede gij Robespierre het zwijgen oplegt. «President van moordenaars," schreeuwt Robespierre, «ik verlang voor de laatste maal het woord van u!' Hij kan het niet hebben. «Tot u, o deugdzame mannen van de vlakte," roept hij, toen hij een oogenblik gehoor verkrijgt, «tot u wend ik mij." De deugdzame mannen der vlakte blijven stom als steenen. En Tiiuriot's bel klinkt, en de zaal raast als een Eolushol. Robespierre's schuimende lippen zijn blauw geworden, en de droge tong kleeft aan het verhemelte. «Het bloed van Danton verstikt hem!' roept men. «Beschuldiging, decreet van beschuldiging!" Tiiuriot stelt snel de vraag voor. De beschuldiging gaat door, de onomkoopbare MaximilIaan wordt in staat van beschuldiging gesteld.

«Ik begeer het lot van mijn broeder te deelen, gelijk ik er naar gestreefd heb zijne deugden te deelen!" roept Augustin, de jonge Robespierre (3); ook Augustin wordt in staat van beschuldiging gesteld. En Couthon en St. Just en Lebas, zij allen worden in staat van beschuldiging gesteld, en naar buiten gesleept, niet zonder moeite, daar de oppassers van vrees nauwelijks durfden gehoorzamen. Driemanschap en compagnie worden naar buiten gesleept in de comité-kamer van het Salut, de tong kleeft hun aan het verhemelte. Er blijft slechts nog over, het stadsbestuur uit te noodigen den kommandant Henriot af te zetten en in verzekerde bew aring te nemen, eenige formaliteiten te regelen en de offers aan Tinville te overhandigen. Het is middag; het Eolushol heeft zich ontlast, blaast nu, zegevierend, welluidend, gelijk één onweerstaanbare wind.

Is dan nu de zaak afgedaan? Men waant het, en toch is het niet zoo. Ongelukkig is slechts het eerste bedrijf geëindigd, drie of vier bedrijven moeten nog komen, en eene onzekere katastrophe! Eene ontzaglijke stad is vol verwarring, zevenhonderdduizend menschelijke hoofden, van welke niet één weet wat zijn buurman doet, ja niet eens wat hij zelf doet. Ziet dus, tegen drie uur des namiddags, den kommandant Henriot, hoe hij, in stede van afgezet en in de gevangenis te zitten, aan het hoofd van stads-gensdarmes langs de kaden galoppeert, en «verscheiden menschen overhoop rijdt!" Want het Stadhuis houdt beraadslagingen in openlijken opstand; (4) de barrières moeten gesloten

fl) Moniteur, No. 311, 318. Débats, IV, 421—442. Deux amis, XIII 390—411. Ook Dulaure III 250—260 en Mignet.

(2) Zie pag. 232, deel I.

(3) Zie noot 3 op pag 198.

(4) Door den gemeenteraad was een adres gericht tot liet volk van Parijs, waarin de deugden van Robespierre, Saint-Just, Lebas, Couthon en Robespierre le Jeune grootelijks werden verheerlijkt en daarentegen Amar, Dubarran, Collot d'Herbois, Bourdon de 1'Oise en Barrère aan de kaak werden gesteld. Het adres is te vinden bij Dulaure, III, 262, 263.