is toegevoegd aan uw favorieten.

De architectuur in hare hoofdtijdperken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hoofdvorm der cella is tweeërlei: met en zónder zuilenrijen. Het eerste type, de zoogenaamde liypaëtraaltempel, meest overeenkomend met den Megaron van het Myceensche paleis, is het meest oorspronkelijk, doch het minst verspreid. Slechts acht Dorische tempels hebben dezen vorm (fig. 139 en 141). Twee zuilenrijen verdeelen de cellabreedte in drie traveeën met domineerend middendeel, voor de plaatsing van het godsbeeld. Ter hoogte vertoonen zij een

opeenstapeling van twee zuilen, welker omtrek in eikaars verlengde valt en die door een architraaf zijn gescheiden (fig. 142 en 143).

Bij liet tweede, meer eenvoudige type der cella ontbreken de zuilen (fig. 138 n°. 1—7).

Doorgaans tracht men hun aanwezigheid te verklaren uit een constructieve bedoeling: zij maken de overspanning en afdekking der cella gemakkelijk en verschaffen, op zekere hoogte door een steenzoldering met den cellamuur verbonden, een veilige bergplaats voor tempelschatten rondom liet beeld.

Perrot en Chipiez 1) verwerpen deze meening. Zij wijzen er op dat de zuilen bij sommige breede tempels ontbreken (Selinus en Agrigentum), en omgekeerd bij smalle cella's aanwezig zijn (Eginatempel en Theseïon). Ook de algenieene verbreiding van het tweede type pleit voor de opvatting, dat de inwendige zuilenrijen niet ter wille der constructie zijn aangebracht.

Nog heeft men getracht hun plaatsing met de verlichting der cella in verband te brengen, een vraagstuk dat door algeheele verdwijning der kap niet met zekerheid is opgelost, althans wat de groote tempels betreft. Bij kleine heiligdommen geschiedde de verlichting enkel door de deuropening. Vandaar haar buitengewone afmetingen, te belangrijk om enkel als toegang te dienen.

(Fi(, 143) Verschil van meening bestaat omtrent de verlicliting der

groote tempels. Bij afwezigheid van ramen in den zijmuur deicel la onderstelden sommige archeologen, Boetticher en anderen, een geheele of gedeeltelijke bovenverlichting der cella, een meening die steunt op vage beschrijvingen van oude schrijvers. Pausanias toch vermeldt de bijzonder rijke, mythologische versiering, de talrijke kunstwerken en het kostbaar ameublement der cella van den grooten Zeustempel te Olvmpia, waaruit een behoorlijke verlichting wordt afgeleid.

Vitruvius spreekt nog in vage termen van een open middenruimte2). Het

1) L'art dans 1'antiquité Tome VII.

2) Vrrnuvius pag. 72. Vertaling van Cu. Pf.rkaui.t.