is toegevoegd aan uw favorieten.

De architectuur in hare hoofdtijdperken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HENDRIK DE KEYZER.

hoeken en nis met verhoogde wijzerplaat in de assen, vormt den overgang tot de achtkante houten spits waarvan het opengewerkt bovendeel, het klokkenhuis, peervormig bekroond is. Eenigszins storend zijn de zware steenen zuilen en consoles ten opzichte der schrale steenen hoekbekleeding van den benedenromp. Ook is het balkon ontoegankelijk, slechts een schijnmotief.

Het ruim der Westerkerk bestaat uit rondbogen door Dorische bundelzuilen gedragen; slanke Jonisclie pilasters bekleeden den hovenmuur (lig. 372). Twee transeptarmen onderbreken het schip, dat met een houten tongewelf overdekt is. Alleen de zijbeuken hebben baksteenen kruisgewelven. Hoewel de samenstelling meer organisch is dan bij de Zuiderkerk stemt het ruim niet ten volle. Er is iets tweeslachtigs, tegenstrijdigs in de beslist verticale verhouding *) en de sterk sprekende horizontale verdeeling der lijstwerken, volledige hoofdgestellen zonder zin. Storend is hun zwaar profil, vooral bij den

aanzet van het hooge 376. Woonhuis te Leiden.

middengewelf. I )e groote

hoogte van dat gewelf is strijdig met de rustige, kalme stemming van een Frotestantsch bedehuis, waarin, vóór alles, het wijde, ruime, overzienbai e, met den kansel als uitgangspunt, behoort te spreken. Deze, toevallig tegen een pijler geplaatst, gelijkwaardig met de notabelen-banken der overige pijlers,

') Ongeveer als 1 : 3.