is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deuren volgeladen met kleedjes, matten en karpetten, om elkaar te helpen kloppen en by te staan.

De haardasch, de afval vergaard in potten en emmers zonder deksel, vloog naar buiten, en de wind joeg de smurrie over de gore straat met zijn hooge maatschappij-huizen; de trieste straat ineens kleurig en rel in het bezig schelle vrouwgekledder.

Dat buiten-werken gebeurde evengoed in de week, eigenljjk wel elke morgen, doch niet zoo algemeen en niet zoo geducht. Het ging dan meer ieder voor zich, iedere buur zichzelf reddend, reppend, flap-flap de kleedjes uitslaand, zonder veel praten, om maar weer gauw binnen te komen, maar op zaterdagmorgen spatte de werkbui eerst ongedwongen uit. De mouwen opgestroopt, de magere werkarmen tot de elleboog bloot, de rokken opgeschort, nauw om de spichte beenen als verfonfaaide drapeering, snaterden en snebberden ze elkaar de ooren doof, hangend met de schrale Ujven aan de deurstijlen, tjjd verkwistend, zich dan weer haastend om voort te komen. Ruw en ongesjeneerd kwakten ze neer de vuilnisbakken, onbekommerd of er wat over Btortte. De todden, de vodden, de spaanders en papieren waaiden met de asch óp, dwarrelend in 't geile van de grauwe straat, waar de aschman dubbel te doen kreeg om dat alles te vergaren.

Heel de morgen lang jelde en kletterde het anders zoo doffe huis in de rammelgeluiden van emmer, blik en stoffer, beefden de trappen onder het gebons van