is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze aanvaardde maar moeilik 't geval, schoof met haar slof voeten naar de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij 't strijken houden.

Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde, 't Was ook te erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om, viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het koud-geworden ijzer over 't goed gaan en de handen vielen weer langs haar heen. Alles rondom bleef in beweging, 't Licht wiebelde en wipte, vlekte schaduwen op 't behang, zwartte grimmige kringels over 't plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel, maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde zoo vreemd, alsof 't ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dè,t wist ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef doordaveren 't toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel maar wegloopt.

Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te verzetten, haar woede te temperen, maar

De Ontredderden. II. 9