is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet uitstaan, hij leek dan meer op 'n aap als op 'n mensch, — en alles draaide daarbij in haar om. Zonde dat ze 't zei, toch 't was zoo! Ze griezelde van hem. Die afkeer was al gekomen bü 't sterven van 't eerste kind, mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze 't gewaar. Al haar kinderen waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in 't leven en dat lag, meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zyn trouwen. Geen wonder, zijn vader deugde al niet, 't zat in de familie, de Ballers waren allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och ja, toen keek ze toch óp naar het bazenzoontje met z'n mooie handen, zij 'n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch ... kon h^j 't maar zoover brengen als haar vader, 't Zou wat, een landlooper werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks!

Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar boven. Hy moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hy zelf niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als 't haar stand betrof, —