is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter hem in 't dorre hout meende hjj te hooren ritselen. Sluippassen gingen over de harde bodem, 'twas of de geest der verschrikking op hem afkwam, of die hem bi) de schouders greep, hem op deze bank zou knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Htf keek verwilderd om, lachte om zyn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet op, om weg te vluchten.

Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen, die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen, — en 't geluid schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren.

Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was dat om af te wachten? H\j kon toch niet blijven voortloopen. Wat voortloopen? Geen recht had hij te leven ... hij dorst niet terug naar zijn woning, waarheen moest hij dan ? Zij zou hem daar opwachten. Nee, nee, liever maakte hij zich van kantl

Voor hem lag de gracht grauwig-grys, een vuile blankheid van sneeuw gesmolten en weer saamge-