is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek voor de methodiek der leervakken, ten dienste van hen, die studeeren voor de hoofdacte en voor vergelijkbare examens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stip zetten. Waar? Nemen we bijv. maar aan de plaats, waar de kerk van 't dorp staat." Zien de kinderen die stip, dan hebben ze te denken aan het dorp, dat natuurlijk een geheel anderen vorm heeft dan de stip. Misschien heeft het niet eens een kom en staan de huizen alle op een of op een dubbele rij langs den dijk. Voor het dorp zelf, voor de zuivere voorstelling, geeft liet teeken absoluut niets. Daarom denken wij ook bij 't zien van al die groote en kleine stippen voor de verschillende plaatsen des lands nergens aan dan aan die stippen.

We hebben een kaartenbeeld. Spreekt iemand over Deventer, over Zwolle, over Sluis, Venlo of Leeuwarden, dan rijst — en dat is al een zeker gemak voor het beter onthouden — het beeld van de kaart van Nederland bij ons op — van die kaart, welke we gewoonlijk gebruiken — we zien de scheiding des lands in provinciën, zien terstond weer de kronkelende lijntjes en de zwarte — stippen misschien, met de namen van de bedoelde plaatsen er naast.

Mitar Deventer zelf? of Zwolle? of Sluis? of Venlo? of Leeuwarden ?

We zijn in Deventer geweest — hebben er misschien gewoond — van Zwolle hebben we een gedeelte op een afbeelding gezien, in Sluis zijn we niet geweest noch in Venlo. Van Leeuwarden hebben we licht „de Oldehove" op een plaat waargenomen — en nu zal misschien bij het verhaal, dat men ons geeft, van Deventer de voorstelling der straten, der pleinen, van de rivier bewust worden — van Zwolle en Leeuwarden wordt ons mogelijk de voorstelling van het plaatje bewust — bij Sluis en Venlo wil maar niets anders komen dan die nare, zwarte stip.

Daar we nu niet van elke plaats, niet van elke streek een voorstelling kunnen verkrijgen door onmiddellijke aanschouwing, zullen we ons met de voorstelling van een stad, een dorp, een streek, een rivier moeten vergenoegen en verder tevreden zijn met het kaartenbeeld. Misten we ook de genoemde werkelijke voorstellingen of de voorstellingen van de werkelijke dingen, die we aangaven, dan zou de kaart voor ons niets anders zijn dan een wirwar van lijnen en namen.

In elk geval is die werkelijke voorstelling het eerste — daarna