is toegevoegd aan uw favorieten.

Barthold Meryan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je moet het me allemaal eens geregeld vertellen, Bart, maar ga eerst even aan moeder zeggen, dat je thuis bent. Zij maakte zich een beetje ongerust over je lang wegblijven. Maar geen woord tegen haar over dat vechten, hoor!"

Barthold liep met drie treden tegelijk de trap op en maakte de slaapkamerdeur open.

„Ik ben thuis, moeder..., Ik had me wat lang in de stad opgehouden."

„Ik hoorde je binnenkomen!" klonk het verheugde antwoord. „Is dat nachtbraken! Ga nu maar gauw slapen."

„Nacht, moedertje, wel te rusten."

„Ik geloof, dat al het grauw van Amsterdam op de been is," zeide hij, bij zijn vader terugkomend, en langzamerhand met meer animo sprekend. „Zij kwamen letterlijk overal als uit den grond op, en toen de politie-agenten de sabels trokken regende het straatkeien, die zij zoo maar met hun nagels uit den grond opkrabbelden. Welk een bende, dat janhagel uit de achterbuurten!"

„En was jij daar nu tusschen?" vroeg Meryan schijnbaar kalm. Het kwam plotseling bij hem op, hoe, terwijl hij zelf hier rustig zat te werken, de jongen werkelijk in gevaar had verkeerd en de onrust van zijn vrouw dus niet allen grond miste.

„Neen, ik was er niet bepaald tusschen. Ik had me aangesloten bij een journalist — een reporter van het Handelsblad, dien ik wel van aanzien kende, en die doodleuk op een stoep stond met zijn notitieboekje in de hand. Die lui van de pers zijn overal op hun gemak en kunnen verbazend handig manoeuvreeren. Soms liepen we wel een paar duwen op, als het volk, bij een charge van de politie, wild uiteenstoof, maar dat was alles."

„Ik zou je toch raden in het vervolg voorzichtiger te zijn in dergelijke gevallen," zeide Meryan. „Men kan zoo licht door een steen geraakt worden of ook een sabelhouw opdoen."

Hij wilde geen sentimenteele bezorgdheid toonen en sprak dus volmaakt rustig, maar toch verried zijn geheele houding een zekere nervositeit.

„Het is voor de eerste maal dat ik zoo iets heb bijgewoond," zeide Barthold, tegen zijn gewoonte in behoefte hebbend zich te uiten. „Het maakt zoo'n anderen indruk dan wanneer men dergelijke dingen in couranten leest. Men let er dan eigenlijk niet meer op."

„Ik lees die dingen nooit!" zeide Meryan beslist, „en daarom verwondert het me van jou, dat je je oogen en ooren en verdere zintuigen aan zoo'n straatschandaal gewaagd hebt. Hoe ter wereld kwam je er toe?"

„Wel, ik vond zoo'n historie eerst heel aardig; en daar