is toegevoegd aan uw favorieten.

Verbrijzeld en toch overwinnaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wellicht is dit eenigermate het geval," zeide Hubert, en Gerson hem aanziende, bemerkte, dat zijn bezoeker moeite had zijn aandoening te bedwingen. Hij zag hem met toenemende belangstelling aan en zeide: „Uw stem en uw blik, doen op wonderbare wijze oude snaren in mij trillen. Het is mij of ik u lan^ geleden gekend heb. Zijt gij wellicht een edelman, die mij gekend heeft in de dagen van mijn voorspoed, en die nu evenals ik zijn rust zoeken wil in het bespiegelende leven ?"

„Ik ben door u gekend geweest, mijn vader, maar niet als een edelman, maar als een arm vergeten jongeling, dien gij lang geleden gered en beschermd hebt."

„Dien ik gered heb?" herhaalde Gerson, nog niet begrijpende, hoewel een nieuw licht zijn vermoeide oogen deed oplichten.

„Wiens schuld gij in de Sorbonne voor hem betaaldet: o mijn vader, mijn weldoener, herinnert gij u Hubert Bohun niet meer?"

„Hubert, dien ik liefhad? Hubert, mijn zoon Hubert?" De stem van den ouden man daalde en hij bedekte het gelaat met de handen.

Hubert vreesde reeds dat hij zich nog te plotseling had bekend gemaakt, maar groote aandoeningen komen tot den ouderdom zachtkens, geleidelijk, als voetstappen over het mos.

Na eenige oogenblikken stak hij Hubert de hand toe, die deze eerbiedig aan de lippen bracht. „Voor dit uur en deze ontmoeting," zeide hij, „ben ik van uit mijn aangenomen vaderland hierheen gereisd; ik heb zeer begeerd mijns vaders aangezicht weder te zien."