Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals die nog door boerinnen gedragen wordt, doch daaraan hechtte men dan een houten of baleinen hoepel. Om dezen hoepel hingen de bovenrokken recht neder, zoodat het onderlijf veel van een karnton had.

In de plaats van een kraag droegen de vrouwen uit den minderen stand een witten halsdoek met garen kwastjes of akertjes aan de punten.

Het kostuum der heeren bestaat, behalve uit den reeds beschreven kraag, uit een wambuis met afhangende, korte slippen, een wijde, korte broek, hozen of kousen en lage schoenen. Dikwijls versierde men de broek met gestrikte linten en rosetten. Eveneens hechtte men op de schoenen van bruin of zwart Spaansch leer linten en strikken, die boven op de wreef van den voet een groote roos vormden. Huygens spreekt daarom van een overlinten voet. De hooge, roode hakken onder die schoenen noemt hij steile stelten hielen.

De hoed van Roemer Visscher is een zoogenaamde .. slechte " (eenvoudige) hoed zonder versierselen of pluimen. De „ronde Roemer" is dan ook een eerzaam burger, doch de magistraatspersonen en de edellieden droegen hoeden met pluimen. Een pronker prijkte met:

Zijn breedgespreiden hoed inet slappe wijdsche boorden, En rustelooze pluim en groene zijden koorden.

Ook droeg men rozen op den hoed, die recht of scheet stonden, al naar men geluimd was.

De roos van mijnen hoed,

Zal u een teeken zijn, wanneer gij zwichten moet.

waarschuwt bij Cats een man zijn wederhelft.

De pluimen en rozen op den hoed werden door zedemeesters „ verlockselen tot zinnelijkheit" genoemd. En

Sluiten