Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets over de kleederdracht van 165U —1750, naar aanleiding van plaat 19, 20, 21. 22 en 23.

Om niet in herhaling te vervallen, heb ik de bespreking der kleeding van de personen. op de laatste vier platen voorkomende, tot hier uitgesteld, waar het verschil met het kostuum uit de eerste helft der 17de eeuw zoo sterk spreekt.

Beginnen we met de haardracht. Ten tijde van Frederik Hendrik reeds begon men met het haar lang te laten groeien, in navolging van de Fransclien. De rimpelkragen konden nu niet meer gedragen worden; ze werden vervangen door platte nederliggende kragen. Doch tegelijk met de mode van de lange haren kwamen ook de pruiken in ons land. Die pruiken deden een storm van vei'ontwaardiging ontstaan bij de leeraars en zedemeesters. Zij scholden ze op den kansel en in geschriften voor paardemanen, zwierige blessen en lokken van geleend en valsch haar, voor haarlokken aan beesten en moordenaars ontleend , galgenliaar enz. De dichters daarentegen bezongen ze als fladderende lokjes, kronkelende golfjes, boschjes waarin minnegoodjes schuilden.

Over die pruiken is heel wat te doen geweest. Professoren hebben er in dikke boeken voor en tegen gestreden. Synoden hebben er hun ban over uitgesproken. Met honderden bewijsplaatsen uit den Bijbel heeft men het ongeoorloofde van een pruik te dragen aangetoond, doch met evenveel teksten heeft men het tegendeel bewezen. Ook de ongewijde geschiedenis heeft dienst gedaan aan

Sluiten