Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hield van den ouden koning en als hij zoo met gebogen hoofd in het park liep, dan wist men, dat het verdriet naast den vorst ging.

Peinzend schreed hij door het prachtige park, maar het was of de zon dien dag voor hem niet scheen, of de hemel zich niet weerkaatste in den spiegel der vijvers, de zwanen niet sierlijk dreven op het water, het vlekkelooze marmer der beelden zich niet afteekende tegen het groen der boomen. Verdiept in zijn gedachten liep de vorst verder en als werktuigelijk begaf hij zich in het groote bosch, zoo uitgestrekt, dat de inwoners van de omliggende dorpen er ook in wandelen mochten. In het woud stonden eeuwenoude eiken en ook slanke beuken en witte berken. Het was er zoo stil, en de bladeren ritselden er zoo vredig, de zon wierp er zulke gouden schijnsels, dat onder die boomen de koning zich altijd getroost voelde.

Toen hij er nu luisterde naar het koor van wind, bladergeritsel, insecten en vogels, zag hij een wandelaar aankomen, die ook verdiept in zijn gedachten scheen, zoodat hij den vorst niet opmerkte.

Sluiten