Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, me vader is bakker en me moeder naait. De zuster kent ze wel, niet zuster?"

„Ja, zei de zuster, „en ze hebben heel hard te werken, hè Sofletje?"

„Of ze, zei het zwakke meisje. „Ze hebben geen geld om naar me toe te komen, want voor me Grootje moeten ze ook zorgen en ik heb nog twee broertjes en twee zusjes. Maar wat zou het echt wezen, als ze hier eens konden komen, hè zuster? Wat zouden ze kijken naar de boomen, en de blaren, en de bloemen en de mooie blauwe lucht. Want dat is zoo vreeselijk mooi. Ik doe telkens mijn oogen toe om het te zien. Ik denk soms, dat ik droom en dan hou ik me of ik slaap, maar als ik dan mijn oogen open doe, dan is er alles weer: het mos op den grond en de groote boomen en het gegons van de bijen. Alles," zei Sofletje met een zucht van genot.

„En thuis, weet u," ging zij door, zich naar Fantasio wendend, die haar aanzag met zijn gezicht vol goedheid, „daar zie je alleen maar de huizen van den overkant. Daar heb je geen boomen en geen blauwe lucht."

Sluiten