Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Die arme Maver, zeide Witsen bedrukt, dat hij nu nok niet gered is!

— Ja, 't is jammer, zei Ooetzee, had hij maar éér geroepen.

— Ik hel) nog wel driemaal gedoken, zei Prinsloo somber, maar hij was al te ver weg.

Witsen loosde een zucht, maar begrijpend dat op dit oogenblik gehandeld moest worden, zeide hij tot de visschers:

— Gij zijt visschers zooals ik zie?

— Ja, sahib.

— Waar gaat ge heen?

— Naar ons dorp, Sahib.

— Waar ligt dat?

— Daar ginds, in de richting van Kalutotta.

— Hoever is dat van Colombo?

— Een uur of drie, sahib.

— Goed, we kunnen daar zeker wel blijven van nacht?

— Mijn huis is tot uwe beschikking, sahib.

— Pest. liet was een geluk dat gij hier waart. I w licht heett ons gered. Waren die andere lichten van andere vlotten?

— Ja, sahib, zij gingen eerder weg en ik zou ook wel vroeger zijn heengegaan, als ik niet zoo'n slechte vangst had gehad.

— Een slechte vangst, zei Witsen, op de hoop visch wijzend, welke midden op liet vlot lag.

— Ja, heer, deze zijn niet veel waard; ik hoopte op een paar zwarte zalmen, maar zij kwamen niet.

Sluiten