Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- Daar beneden bij de beek, zei een derTotah's.

— • ongens, zei Prinsloo, ik wou dien tweeden ook wel zien te schieten, wat denken jelui er van?

— Dan gaan wij mee, klonk liét.

— Mij goed, maar moet er dan niemand hier blijven ?

— Ik zal wel blijven met Amoedoe, zei Dubois,

— Wilt ge ons bij die beek brengen ? vroeg Prinsloo aan de Totahs.

-bi, sahib, volg ons maar.

Inplaats van dwars door de struiken te «-aan volgden deze wilden nu een gebaand pad, tot zij <>p een plaats kwamen waar de weg zich verbreedde en door een beek liep.

Het gebrul werd heviger; het was duidelijk, dat de tijger zijn wijfje zocht.

— <>a hier onder de schaduw van deze struiken zitten zeide een der Totahs, hij zal dadelijk aan de beek komen.

De maan, die opgekomen was, verlichtte den omtrek zoodanig, dat men ook op een afstand kon zien en bovendien hadden onze Hoeren oogen als tijgerkatten; zij konden ook in het donker zien iets wat de rooineks in Zuid-Afrika dikwijls tot hunne M'ibazing en schade hadden ondervonden.

Spoedig maakten de Totahs hen opmerkzaam op een donker voorwerp, dat zich langs de beek bewoog. Met dier sloop onhoorbaar voort op de manier der katten den kop naar den grond; af en toe bleef hij stil staan en riep zijn wijfje.

Sluiten