Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A( li, liep Amoedoe opeens, ik begrijp het; liet zijn die kerels, die weer aan het schieten zijn en mi zal hun oud geweer gesprongen zijn, let <>j», zoo is het.

Ilij snelde voort, gevolgd door de anderen en zoodra zij op de plaats vanwaar het geluid kwam waren gekomen, zagen zij dat Amoedoe s nieening volkomen gegrond was. Daar lag de arme kerel met wonden in het gelaat en den hals en halt verbrijzelde vingers, terwijl de twee andere er met verslagen gezichten bij stonden.

Op korten afstand van hen kronkelde zich een reusachtige boa in liet groen, zóó dachten zij ten minste.

Witsen en Prinsloo bukten bij den man neer en onderzochten zijne wonden, terwijl keken Dubois en (oetzee naar den reuzenslang, die zij meenden dat <ig te stuiptrekken, toen Dubois opeens riep:

— Kijk eens, dat ding kan niet verder, hij zit in de struiken vast, door die lange pijlen.

Coetzee bespeurde nu dat de reuzenslang twee lange pijlen dwars door het lichaam had. Blijkbaar was hij niet voldoende getroffen door die twee pijlen, want slangen zijn taai, en toen had de derde'hem met zijn geweer de rest willen geven , toen het gebrekkige en oude wapen gesprongen was. De slang had willen vluchten, zooals haar gewoonte is, in het dichte struikgewas, maar de beide lange pijlen, welke aan weerskanten van haar lichaam uitstaken, hadden haar daarin verhinderd.

Sluiten