Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den oever ging loopen en tusschen de rotsblokken keek of' hij ook verscholen kreeften zag. Tusschenbeide plompte hij in een gat in den bodem bijna kopje onder; het volgend oogenblik stond hij slechts tot het middel in het water.

— Hier zitten er verscheidene, riep Dubois, maar ze hebben hun scharen gereed om te knijpen; help mij eens, Witsen.

Hij kreeg geen antwoord en toen keek hij om.

Daar stond W itsen, alsof hij in een beeld was veranderd. Tot aan de heupen in het water , keek hij met uitgerekten hals op één punt, met eene uitdrukking op zijn gelaat, welke sprakelooze verbazing te kennen gaf.

— Wat is er? vroeg Dubois verwonderd.

Maar Witsen gaf geen antwoord, hij scheen niets te hooren.

— Kerel, wat heb je dan? riep Dubois uit, naar hem toe loopend; waar kijk je naar?

Nu kreeg W itsen, toen Dubois hem aanstiet, de spraak weer.

— Daar, daar! riep hij, kijk maar.

— Wat dan? vroeg Dubois.

— De schat, de schat! riep Witsen.

— De schat?

— Ja, de schat, ziet ge, daar, hier, kijk maar.

En de opgewonden Witsen deed een paar pas

vooruit en toonde Dubois een vierkante zijde van iets, dat op het eerste gezicht een steen geleek, maar dat een handvat had.

Sluiten