Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men; in dien tusschentijd snelt gij naar zee. Anioedoe's vader is al aardig bijgekomen, kijk eens.

— Mijn vriend, zei I'rinsloo, dat voorstel is zeer edelmoedig, maar ik wil niet dat gij in handen der rooien valt, als de man die ons geholpen heeft. Dat zou uw ondergang en die van uw vader zijn. Neen, Villa, gij zegt dat Amoedoe's vader zoo dicht bij is gekomen en ik zie liet nu ook. Daarom moeten wij het eenige doen, wat kans van slagen heeft, en stormjagen om er door te breken.

— Mooi zoo, zei Witsen, stormjagen.

— Prachtig gesproken, zei Dubois. Ja, we zullen stormjagen en er doorbreken.

— Waarachtig, zei Coetzee, dat zal een waardig slot zijn van onze avonturen.

— Zijt ge klaar? vroeg I'rinsloo eenvoudig; denk er aan, niet schieten als liet niet noodig is, maar die kerels neerslaan; de schoten tot straks bewaren.

— Begrepen! klonk liet.

Kr schoof een wolk voor de maan, die wel eenige minuten zou noodig hebben eer hij voorbij was.

— Vooruit! riep I'rinsloo.

En als een lawine stormden zij voorwaarts, recht op de drie soldaten toe.

liet was opeens donker geworden en de soldaten, die meer hoorden dan zagen dat er wat naderde, riepen:

— Werda!

— Boeren! riep Witsen brutaal.

Bijna op hetzelfde oogenblik kregen de rooineks

Sluiten