Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen de heer Ebels bij de struisvogels bleef staan en daar 't een en ander van vertelde.

„Luister liever," beet Gustaaf hem toe.

„Och ik weet wel, dat de veeren van die beesten op de hoeden worden gedragen," bromde Ko.

„ Weet je dan ook hoe zij doen, als zij in gevaar verkeeren?" vroeg de heer Ebels, die hem verstaan had.

„Dan loopen ze zeker weg." pruttelde Ko; „ik wou dat ik ook weg mocht loopen!" dit laatste zeide hij zeer zacht.

„Neen, jongetje, dan blijven zij staan en verbergen hun kop tusschen het gras," vertelde de onderwijzer. „Zij meenen, dat als zij hun vervolgers niet zien, dezen hen ook niet in het oog kunnen krijgen!"

„Doen de apen dat ook?" vroeg een andere, die erg naar de apenkooi verlangde.

„Wel neen," riep meester Struis uit. „Waarom vraag je dat?

„Och, ik dacht dat zij alles nadeden wat andere dieren doen, en dat er daarom van naüpen gesproken wordt," verklaarde deze kleine geleerde.

„Mij dunkt, we moesten nu maar naar de apenkooi gaan," hernam de heer Ebels, na op

Sluiten