Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Afblijven!" beval Kee. „Je moogt niet snoepen, hoor!"

„Ik wijs er maar naar," stelde Mies haar gerust, „maar ik zou er wel eens van mee willen smullen!"

„Wat ligt daar?" vroeg Jet.

„Dat zijn bolussen!" riep Mies uit. „Daarvan had ze gisteren de stroop nog om haar mond, zitten, die schrok !"

„En wat is er een suikergoed in dien zak," zeide Kee, terwijl zij er nieuwsgierig inkeek.

„Snoep jij nu ook maar niet," riep Mies uit.

„Zijn jullie haast klaar!" riep Jeanne uit. „Ik ben bang als de dood, dat er iemand komt."

„Ja, ja, dadelijk!" riepen de meisjes.

„Kijk, die appelbol is open," zeide Jet eensklaps; „laten wij het daar ingooien, zoowat tusschen den appel die er inzit."

„In meer dan een!" riep Mies uit. „Anders geeft het niet!"

„Nu dan in twee," zeide Jet, en begon met Kee haastig poeder tusschen den appel te strooien en toen den bol weer dicht te maken.

„Hier is nog zoo'n mooie," zeide Mies. „Kom, doe hier nu nog wat in, 't zou jammer zijn als je het niet deedt."

Sluiten