Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien Toms vader argwaan zou kunnen opvatten.

Den volgenden middag stond Tom al in het boschje, toen James met de vogelkooi aankwam. De blijdschap van den knaap was groot, maar evenaarde zijn neerslachtigheid, toen hij James stotterend en aarzelend vertelde, dat zijn vader hem ten strengste verbodan had iemand mee te brengen.

„Nu, wat komt er dat op aan?" antwoordde James inet voorgewende onverschilligheid. „Wij kunnen hier buiten genoeg met elkaar babbelen."

Zij liepen door het boschje en Tom was overgelukkig toen hij acht levende vogels in zijn kooi had.

Zielsvergenoegd snelde hij weg en den volgenden dag was hij weder in het boschje. James had onderwijl nog een kooi gemaakt, en weder vonden zij eenige levende vogels in de strikken. Zoo ging het verscheidene dagen achter elkander. James zinspeelde er volstrekt niet op, dat hij het kasteel zou willen bezoeken, richtte geen enkele vraag tot Tom en wachtte geduldig af of zijn verstandig gedrag geen vruchten zou dragen.

En 't gebeurde! Op een dag, toen hij juist met Tom in het boschje was, hoorde hij voetstappen naderen en zag hij een man.

„Mijn vader!" riep Tom.

Verwonderd, tnaar geenszins ontsteld keek James den naderende aan en nam zijn pet af. John Willet zag hem een oogenblik uitvorschend aan.

„Jij bent dus degene, niet wien mijn Tom kennis heeft gemaakt?"

Sluiten