Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genen hoorden de voetstappen wegsterven, en eerst toen zij niet meer weerklonken, waagde James het uit zijn schuilplaats te voorschijn te komen.

„Ik ben, den Hemel zij dank, nog bijtijds gekomen," zeide hij. „Nu echter niet langer bedacht, wij moeten oogenblikkelijk weg — en onze zusters onder Gods hoede achterlaten 1"

James zeide dit zóó vastberaden, Lucy en Bessy drongen er zóó op aan, dat Edgar, zij 'took na vele bedenkingen, bereid was om mede te gaan. Zij namen afscheid en James klom moedig uit het raam en de wankelende touwladder af.

„Volg mij op de hielen," zeide hij tot Edgar. „De ladder is sterk genoeg, om het dubbele gewicht te houden. Houd je stevig vast en kijk niet naar omlaag of rondom. Zoo! En nu naar beneden! Dag, zusje, vaarwel, Lucy! God behoede u!"

„En u!" antwoordden de meisjes, die angstig en niet kloppende harten de vluchtelingen in de vreeselijke diepte zagen verdwijnen. Een gefluit zou haar de tijding brengen, dat het waagstuk volbracht was, en met vurig verlangen wachtten zij er op. Eindelijk klonk uit de diepte een vroolijk gefluit! De meisjes juichten en tranen gaven aan haar harten lucht. Bessy maakte de touwladder los, wierp haar de vluchtelingen na, en de meisjes keken nu met de uiterste inspanning in de heldere lucht. Een donker voorwerp verscheen op de glinsterende oppervlakte van de zee en zweefde snel voort. Dat moest de boot zijn. Zij verdween om de

Sluiten