Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mat neder in de lindebloesems en verheft zich niet meer.

Langs de kleine beek, midden door de klaver- en aardappelvelden gaat een jong meisje. Een grof gevlochten tuinhoed, welke tot eenig siersel een verkleurden strik draagt, werpt een schaduw over voorhoofd en oogen en dekt het kleine hoofd, waarvan goudblonde krullen, die zich slecht voegen in den dwang van twee vlechten, tot over den rug neerhangen. Een eenvoudige gesteven katoenen kleedje ruischt om de sierlijke gestalte en hangt af tot op twee zware leêren schoenen, die in het zand de diepe afdrukken der spijkers achterlaten. De gebruinde hand brengt een dikke boferham naar den mond, langzaam en afwisselend met de groote, roode kersen, die in een koolblad op den gebogen arm een welbeschutte rustplaats gevonden hebben. Tusschenbeide blijft het meisje staan, tuurt nadenkend op de klaver, en stoot, langen tijd tevergeefs, met de punt van haar plompe schoenen de groene blaren uit elkander. Eindelijk buigt zij zich haastig voorover, zoo snel, dat de kersen over haar hand heen in het zand rollen, en zoo verdiept in hetgeen zij ziet, dat ze de vluchtingen in het geheel niet bemerkt. „Een klaverblad van vieren! Eindelijk!" klinkt het juichend van de lippen. „Nu, Friedel, nu zul je groote oogen opzetten. Ben ik nu nog een ongeluksvogel ? Hier heb ik immers het geluk! — En als ik het je heb laten zien, eet ik het op, want Grete zegt, dat men dat doen moet; anders komt het niet uit!"

Terwijl ze haar boterham tusschen de tanden houdt, tast de spreekster voorzichtig in den uitpuilenden zak van haar japon, werpt een vluchtigen blik achter zich op den wegen haalt dan een klein ouderwetsch gebonden boekje te voorschijn. Een oogenblik houdt ze het peinzend tusschen haar vingers.

„Hm, nu zal ik eens kijken, wat voor geluk het klaverblad mij brengt," overlegt ze met een allerliefsten, ernstigen trek om den kleinen mond, slaat langzaam het boek open en kijkt met ingehouden adem op het gedrukte onder haar duim. „Sah ein Knab ein Röslein stehn, Rrtslein auf der Haide,'' leest ze

Sluiten