Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar als hij gekomen was, trad op zijn vriend toe en reikte hem de schets over.

„Die hebben we!" lachte hij zacht, „'tis een zoo geheime schaking, dat de hoofdpersoon zelfs niet het minste vermoeden heeft! — Nu je critiek ! Ik wacht op je onverbeterlijk oordeel, beste jongen." Met een blik waarin overmoed en voldaanheid over zichzelf om den voorrang streden, zag hij naar zijn vriend en bleef, liet antwoord afwachtend, met de teugels in de hand tegen zijn paard leunen.

Lang en buitengewoon ernstig beschoifwde Hattenheim de kleine schets. Een vergei'jJtende blik vloog naar de lezeres in het hooi, om zich dan weer te richten op de teekening; een vriendelijke, zachte glimlach verhelderde zijn trekken.

„Mirabile visu!" mompelde hij en knikte een paar malen nadenkend. „Een mooi gezichtje en een uitmuntende teekening; ik voor mij geloof, dat je in lang niet iets zoo goed gelukt is; het lijkt sprekend, en toch zijn het maar een paar lijnen en neergeslagen oogen ! — Pak aan, Günther, je bent een kraan!" — en nogmaals wierp hij een blik op het papier en gaf Lehrbach het schetsboek terug. Deze sloeg het dicht en bergde het weer in zijn borstzak.

„Ja, helaas, neergeslagen oogen !" zeide hij, zich vlug in den zadel werpend. „Maaralleen maar op het papier, in werkelijkheid zal ze straks wel den blauwen hemel van haar ziel voor ons ontsluieren ! Dat's mooi gezegd, hé? Het is ook niet van mijzelf! En nu voorwaarts! Avan^ons!" en een licht klappen van de tong deed den vos vooruitspringen.

Hattenheim volgde werktuigelijk, doch bleef Günther eenige schreden ten achter, die met versnelden draf de kleine ganzenkoningin te gemoet reed.

Nog steeds klonken de hoefslagen gedempt in 't zand; Lehrbach trok de korenbloem uit zijn knoopsgat en wierp die op het boek der lezeres, die op 't zelfde oogenblik reeds opschrikte en met twee groote, diep blauwe oogen, ontsteld naar de ruiters staarde.

Sluiten