Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onuitsprekelijk treurig. „Wat achter mij ligt, is een schoone, wolkenlooze zomer, waarover de winter nu zijn doodskleed heeft gespreid. Laat hem de rust en wek hem niet met luide woorden: misschien kan hij slapen en droomen, als elke winter, die hoopt op een nieuwe lente. Ik verzoek u vriendelijk graaf Lehrbach nooit over dit uur te spreken en heni in de veronderstelling te laten, dat ik nog dezelfde meening over hem heb als in Stauffen."

„Die moet ge ook werkelijk behouden!" roept Hattenheim uit. „Oordeel niet te hard, niet te streng over Günther; hij is niet zoo slecht, als hij u schijnt. Hij is een troetelkind van liet geluk, een verwend, ijdel mensch, onbezonnen en lichtzinnig, omdat hij nog nooit zorg of verdriet heeft gekend; maar zijn hart is goed en eerlijk, dat verzeker ik u! Wees niet toornig op hem: alles keert nog ten goede!"

Een bitter lachje speelt om den mond van het jonge meisje. „Gij zult de vriendschap niet schenden," zegt ze zacht; „ik hoop, dat uw trouw eenmaal beloond wordt! En breng mij nu naar de danszaal; ik zou gaarne prinses Sylvia zien dansen."

Hij ziet haar treurig aan. „Misschien brengt u het gewoel daar op andere gedachten! Ik vermoedde wel, dat het zoo komen moest. Ach, hoe gaarne had ik het afgewend!" mompelt hij als in zichzelf.

Gravin Ange treedt hun te gemoet. „Ik zocht u juist, freule Von Wetter," zegt ze op den haar eigen zachten, vriendelijken toon; „ge moet maar toestaan, dat ik vandaag moedertje over u speel, niet waar? Advokaat Von Landeck wenschte aan u voorgesteld te worden, en verzoekt u om den volgenden dans. — Beste Reimar, wil jij zoo goed zijn en Von Landeck even hier brengen?"

Von Hattenheim buigt, ziet den verwonderden blik van Josephine en glimlacht.

„Ange is mijn nicht," zegt hij met een vriendelijken blik op het kleine gravinnetje. „Daarom verheugt het mij dubbel, dat gij het samen goed vinden kunt."

Sluiten