Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELFDE HOOFDSTUK.

„Villa Carolina," een der smaakvolste huizen der geheele residentie, een hoog, wit gebouw, omgeven door linden en hoogstammige populieren, wordt bewoond door den hofmaarschalk, graaf Von Lattdorf.

In een klein boudoir op de eerste verdieping, dat toegang verleent tot het balkon aan de linkerzijde van het huis, zit een jong meisje, gebogen over een boek, waarin ze niettegenstaande het vallen der schemering bezig is met aandacht te lezen. Een donker smaakvol kleed valt in diepe plooien over haar heupen, sluit zich nauw om de slanke, uiterst bevallige taille en eindigt hoog aan den hals in een fluweelen, met goud geborduurden kraag; het laatste schijnsel van het roode avondlicht valt op het blonde, modern gekapte hoofd.

De sneeuw begint dichter en dichter te vallen, dorre wingerdranken worden door den wind geheven over de balustrade van het balkon, de schaduwen in het kleine salon worken scherper en grooter.

Het jonge meisje laat het boek zinken, strijkt langzaam met de hand over het voorhoofd, keert het gelaat naar het venster en tuurt peinzend naar het wilde jagen der sneeuwvlokken. Het is Josephine Von Wetter, — doch ternauwernood te herkennen, zoo geheel is zij veranderd. Wel is het nog het blonde vriendelijke gezichtje, dat graaf Lehrbach eens te midden van het hooi in de Stauffensche velden uitteekende en den naam van „Ganzen-Lize" gaf, doch al het kinderlijke is uit de trekken verdwenen. Over het geheele gelaat ligt een waas van ernst, die vooral spreekt uit de pijnlijke lijnen om

Sluiten