Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De volgende middag bracht Josephine een onverwachte groote vreugd; de bediende overhandigde haar een visitekaartje: „Zijn Excellentie, graaf Von Lehrbach," voegde hij er bij, en hij keek verbluft op, toen het jonge meisje onwillekeurig een kreet van vreugde liet hooren.

Weinige minuten daarna stond de oude heer voor „Haideröslein," stak haar hartelijk beide handen toe en zag haar vriendelijk aan; het scheen als verdween de matte uitdrukking van zijn gelaat, als glimlachten de lippen minder verstrooid dan anders.

„Ik was zeer verrast, mijn kleine vriendin, te hooren dat je nog hier waart," sprak hij met een stevigen handdruk. „Twee dagen na het bal was ik aan je hotel, om je pleegouders en jou een bezoek te brengen, en uit te noodigen bij mij te komen; doch ik vond de vogels gevlogen, de kooi leeg en kreeg tot antwoord, dat de Stauffensche gasten weer vertrokken waren. Eerst korten tijd geleden hoorde ik van Günther, dat gij hier gebleven waart. Zeker zou ik je eerder bezocht hebben, als ik in de laatste dagen niet overstelpt was geweest met zaken en zorgen. Ik had ternauwernood den tijd even in de lucht te gaan en was van den morgen tot den avond aan den arbeid, — ik voel het nu ook wel; het is maar goed, dat ik nog iemand er bij heb om mij behulpzaam te zijn.

Hij zuchtte even en streek met de smalle hand over het gerimpelde voorhoofd Josephine zag hem bezorgd aan; het was haar plotseling, als was hij vele jaren ouder, zijn oogen

Sluiten