Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

In de ruime pronkkamer der houtvesterin vonden de hooge gasten een welkome rustplaats. Groote geweien en hertenkoppen, gekruiste buksen en geweren en oude staalgravures sierden die met schel blauw papier behangen wanden, glad gewreven notenhouten meubels stonden stijf gerangschikt naast of tegenover elkaar en in de vensterbank bloeiden eenige crocussen en hyacinthen naast de breedtakkige asclepia.

„Grootje" de moeder der houtvesterin zat daar juist in den makkelijken rieten stoel voor de naaitafel en breide met den grooten bril op den neus een rood kinderpakje, dat bestemd was als eerste verjaarsgeschenk voor het schreiende kleinkind, daar ginder in den mandenwagen, toen zij het, als ware het „LUtzows wilde Jagd" plotseling op de steenen had hooren stampen en trippelen, en prinses Sylvia in eigen persoon onder den ouden eik stilhield.

Achter haar en van de andere zijde kwam lachend haar gevolg; ternauwernood had de houtvester den tijd zijn groene

Sluiten