Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duurd waren. Zijn blik viel van de fijne steken en steekjes op zijn groote, breede handen. „Een vrouw en alles wat er bij behoort is toch kraakporselein," dacht hij, „en past niet bij een elk, allerminst bij zoo'n ruwen, reusachtigen man als ik ben," — en zijn oog viel in den spiegel; hij lachte weemoedig en legde het borduurwerk met een zucht neder. „Wie zou mij ook liefhebben?"

Daarop trad hij naar de schrijftafel; van uit de bladen van een boek kwam een met rozen bewerkt leesteeken kijken. In gedachten nam Reimar het op, sloeg het open en las:

„Ik acht dien man tot alles in staat: hij heeft geen God, geen geweten, — hij kent slechts een teugelloozen hartstocht, en die beheerscht hem geheel. En toch oefent hij op velen een demonische macht uit, — helaas ook op mij! Als wanhopend strijd ik tegen mijzelf, ik zie den afgrond voor mij en vrees toch, dat een duizeling mij naar beneden zal rukken .. . O, dat ik hem nooit meer hoorde spelen — die muziek is mijn ongeluk! Wanneer Reimar in de nabijheid is, voel ik mij beschermd, uit zijn oogen spreekt rust en vertrouwen ; geen man is voor mij zoozeer het iedaal van rechtschapenheid en loyaliteit als hij . .

Bijna ontsteld liet Hattenheim het boek zinken en zag verschrikt om zich heen, als iemand die betrapt wordt op verboden grond.

Het was het dagboek van Ange! Er was geen twijfel: het was haar schrift, haar verguld monogram op den omslag. Mijn God, hoe had hij zoo grenzenloos onbescheiden kunnen zijn!

Toch bleef hij als op de plek gekluisterd staan en staarde op het boek, dat weder op de oude plaats lag.

Een onbeschrijfelijk gelukkig gevoel maakte zich van hem meester. — Wat deed het goed, zulke woorden over zichzelf te lezen, — zoo beoordeeld te worden! „Rechtschapen!" ja, dat was het, wat hij steeds had willen zijn, waarnaar hij gestreefd had van af het oogenblik, dat hij volkomen begrip

Sluiten