Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Sedert de ziekte van den minister waren er drie weken verloopen en nog was er geen verandering in zijn toestand merkbaar; bleek en zwijgend lag hij met wijdgeopende, wezenlooze oogen op het ziekbed, zonder zijne verplegers te kennen, zonder door een enkele beweging te kennen te geven, dat hij'deelnam aan hetgeen om hem heen gebeurde.

Zeer zelden maakte hij een werktuigelijke poging tot spreken, doch onverstaanbare klanken kwamen dan van zijn lippen; zelfs Günther was niet bij machte hem te wekken uit die

bewusteloosheid. .

De dokter verklaarde, dat de toestand van den zieke nog jarenlang zoo zou kunnen duren, doch dat ook een nieuwe aanval het zwakke levenslicht voorgoed zou kunnen uitdooven. Hij gaf daarbij den jongen graaf de verzekering, dat zijn tegenwoordigheid volstrekt niet noodzakelijk was en dat het wachten op een beslissing wel zeer, zeer lang zou kunnen duren. Graaf Günther besloot dus de residentie te verlaten.

Van den stadstoren kondigden zes doffe slagen het avonduur aan; de lamp verspreidde reeds haar mat licht in de ziekenkamer, waar Hattenheim met gebogen hoofd in een grooten stoel zat. Hij had aangeboden tot de komst van zuster Magda, die dezen nacht waken zou, de plaats aan het ziekbed in te nemen, daar zoowel freule Von Sacken alsjosephine door den bazaar van Maria Christina verhinderd waren dezen middag de vei pleging op zich te nemen. Aangenaam deed Hattenheim de rust om hem heen aan, en veel, zeer veel ging hem door het hoofd.

Sluiten