Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij beiden zijn oud geworden en krijgen meer en meei de rust van ons huis lief."

Petronius wilde eene tegenwerping maken, maar Aulus Plautius voorkwam hem door met lispelende stem te zeggen:

„En wij voelen ons dagelijks meer vervreemden van die menschen, die aan onze Romeinsche goden Grieksche namen geven."

„De goden zijn sedert lang niets dan welsprekende figuren geworden," antwoordde Petronius op luchtigen toon. „Sedert echter Grieksche redenaars onze leermeesters werden, zeg ik ook gemakkelijker Hera dan Juno."

Hij had zich geheel tot Pomponia gewend als om uit te drukken, dat hij in hare tegenwoordigheid aan geen andere godheid kon denken. Daarna maakte hij nu zijne tegenwerping op hare vorige verontschuldiging:

„Zeker, de meeste menschen worden spoedig oud, maar, er zijn er ook, wier gezicht Saturnus schijnt te vergeten."

Petronius zeide dit met eene zekere oprechtheid. Ofschoon Pomponia reeds den middelbaren leeftijd bereikt had, had zij eene ongewoon frissche gelaatskleur behouden en maakte dikwijls, daa- haar hoofd klein en hare gelaatstrekken fijn besneden waren, trots het zwarte gewaad en hare ernstige oogen, den indruk A-an eene nog jonge vrouw.

Intusschen had de knaap, die tijdens zijn verblijf in hun huis eene groote genegenheid voor Vinicius had opgevat, hem uitgenoodigd aan het spel deel te nemen. Achter Aulus was Lygia het prieel binnengekomen. Hier, onder de groene ranken, scheen zij Petronius nog schooner toe dan bij den eersten aanblik eri werkelijk aan eene nimf gelijk. Daar hij haar nog niet had aangesproken, verhief hij zich nu, boog voor haar en in plaats van de gewone begroeting, sprak hij de woorden, waarmee Ulysses Nausikaa begroet:

„Ik smeek u, o, Koningin, zijt gij eene Godin of een sterveling ? Als gij eene dochter zijt van menschen, die op aarde wonen, dan driewerf gelukkig uw vader en uwe moeder en driewerf gelukkig uwe broeders."

De uitgelezen hoffelijkheid van dezen man beviel zelfs Pomponia. Lygia luisterde verward en blozend toe, zonder de oogen op te slaan, maar een vluchtig lachje trilde om hare lippen en de strijd tusschen jonkvrouwelijke schuchterheid en den wensch te antwoorden, was duidelijk zichtbaar; blijkbaar overwon het laatste gevoel en terwijl zij de oogen naar Petronius opsloeg, antwoordde z<j met de woorden van Nau

Sluiten