Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duistere gevoelens haar te plagen; zij had slaap noodig, maar de onrust deed haar dien niet vinden.

Zij dachl, dat Lygia, door zoovele gevaren bedreigd, zeker ook niet zou kunnen slapen en wendde zich daarom tot haar, om over hare vlucht te spreken.

Maar Lygia sliep rustig. Door de half gesloten gordijnen vielen enkele lichtstralen naar binnen en bij dit licht zag Actea het fijne gezichtje van Lygia op den welgevormden arm rusten, met gesloten oogen en licht geopenden mond. Zij ademde regelmatig.

„Zij slaapt, zij kan slapen," dacht Actea, „zij is nog een kind."

Na een poosje dacht zij er over na, waarom dit kind lie ver verkoos te vluchten, dan de geliefde van Vinicius te worden, waarom zij zich liever alles ontzegde: rijkdom, schoone kleederen, juweelen en genot. Waarom?

Zij staarde op Lygia alsof zij het antwoord van haar slapend gezicht wilde lezen. Zij beschouwde haar helder voorhoofd, hare moti gevormde wenkbrauwen, hare donkere vlechten, hare half geopende lippen en dacht:

„Hoe anders is zij dan ik!"

Lygia geleek haar een wonder, eene lieveling .Ier goden, een soort goddelijke verschijning, honderdmaal schooner den alle bloemen in Nero's tuin, dan alle beelden in zijn paleis.

Maar haar hart kende geen jaloezie, integendeel, bij de gedachte aan de gevaren, die het meisje bedreigden, kreeg zij diep medelijden met haar. Een moederlijk gevoel voor haar kwam in haar op. Lygia scheen haar niet slechts schoon toe. maar ook onschuldig en hare lippen op 's meisjes haar drukkend, kuste zij het teeder.

_ Lygia sliep zoo gerust, als thuis onder Pomponia Graecina's zorgen. Zij sliep buitengewoon lang. De middag was bijna voorbij, toen zij hare blauwe oogen opende en met verbazing in het slaapvertrek rondzag. Blijkbaar verwonderde zij er zich over dat zij niet in Aulus' huis was.

»Zijt gij 't Actea?" vroeg zij ten laatste, toen zij eindelijk in de schemering het gelaat der Griekin aanschouwde.

„Ja, ik ben 't, Lygia."

„Is 't al avond?"

„Neen, nog niet, mijn kind."

„Is Ursus nog niet terug?"

„Ursus zei niet dat hij zou terugkeeren, maar wel, dat

Sluiten